headerlogo2

Dit artikel is overgenomen uit Verwachting nr. 76 december 2015. Een uitgave van de stichting De Heraut.

Engelen en natuurwezens

In de meeste landen ter wereld kent men ze nog: de natuurwezens. Met vele verschillende namen worden ze aangeduid: kabouters, gnomen, kobolden, elfen, nimfen, eenhoorns, salamanders, sylfen, undinen, wortelwezens, dwergen, vuurgeesten en ga zo maar door.

In de meeste landen worden ze nog steeds als een vanzelfsprekende realiteit gezien, met name in Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Alleen in Europa en Noord-Amerika is men hen steeds meer gaan zien als fantasie of als sprookjesfiguren.

 

Dat lot hebben de natuurwezens overigens gedeeld met andere geestelijke wezens: de engelen. Eeuwenlang werden de engelen – ook in Europa – gezien als levende wezens, als werkelijkheid, en werden zij vereerd en om hulp gevraagd. Maar in de voorbije eeuwen vervaagde het geloof in hen en werden zij – zeker in Nederland - steeds meer gezien als fantasiewezens, wezens die met de werkelijkheid niets van doen hadden.

De laatste decennia is er een keer gekomen in deze ontwikkeling: steeds meer mensen hebben concrete ontmoetingen met engelen gehad en steeds meer mensen verbinden zich innerlijk met hen en leven met hen. Het lijkt of de engelen op een nieuwe manier in onze belevingswereld zijn teruggekeerd. Deze nieuwe aandacht voor de engelen merkte ik jaren geleden al op; daarom gaf ik een van mijn eerste boekjes de titel: Nu de engelen zijn teruggekeerd.1

Het begint erop te lijken dat het met de natuurwezens net zo zal gaan: nadat zij in het verleden door de meeste mensen tot fantasie werden verklaard, lijken ze nu heel geleidelijk, stap voor stap, weer terug te keren in onze belevingswereld. En dus beginnen steeds meer mensen hen als een (geestelijke) realiteit te ervaren.

Maar hoe kom ik eigenlijk tot dit inzicht?

De vele mailtjes en brieven

Een dag vóór de zomerzonnewende, op 20 juni 2015, hielden we in Amersfoort een themadag over de natuurwezens of de elementenwezens. In de weken vóór die dag kreeg ik tot mijn verbazing ineens heel wat mailtjes en brieven van mensen die mij wilden vertellen over hun eigen ervaringen met de natuurwezens. Alleen al de aankondiging van de themadag bracht velen ertoe om te vertellen over hun ervaringen. Ze verlangden er intens naar – zo schreven sommigen heel open – om hun ervaringen te mogen delen. Vooral ook, vertelden ze, omdat er maar weinig mensen zijn, met wie je dergelijke ervaringen kunt delen: je wordt al gauw gezien als zweverig en niet helemaal goed snik.

Deze stroom van mailtjes en brieven deed mij denken aan eerdere ervaringen. Toen ik jaren geleden als Ikon-pastor in drie korte radio-uitzendingen iets vertelde over bijna-doodervaringen, over ontmoetingen met engelen en over Christus-verschijningen, overkwam mij iets dergelijks. De post bracht mij in de weken daarna stapels brieven – het was nog vóór het e-mailtijdperk – van mensen die eindelijk een mogelijkheid zagen om te vertellen over ervaringen die zij nog nooit aan een ander hadden durven vertellen.

Eerder al, in mijn tijd als pastor in het Academisch Ziekenhuis in Groningen, hadden zieken mij regelmatig in vertrouwen genomen en mij verteld over wat ze tijdens de narcose, of bij het dieptepunt van hun ziekte – dat later een keerpunt bleek te zijn – hadden meegemaakt. Hoe ze hun lichaam hadden verlaten en een reis door de geestelijke werelden hadden gemaakt die een diepe en onuitwisbare indruk op hen had gemaakt. Het zijn ervaringen die in deze tijd langzamerhand een brede bekendheid hebben gekregen en een BDE (bijna-doodervaring) genoemd worden.

 

Het laatste taboe

De vele mailtjes en brieven die ik de afgelopen tijd over de natuurwezens kreeg, deden mij aan die vroegere ervaringen terugdenken. Kennelijk hebben we hier opnieuw te maken met een taboe. Het viel me namelijk op dat zo véél mensen mij begonnen te vertellen dat zij iets hadden meegemaakt met een natuurwezen. Maar wel op heel verschillende manieren:

  • Zo vertellen sommigen dat zij een natuurwezen hebben gezien.
  • Anderen zeggen dat zij een natuurwezen hebben gevoeld – en wel door de gevoelens die het natuurwezen in hen opriep.
  • Nog weer anderen hoorden zomaar, tijdens een wandeling in de natuur, een korte, kernachtige uitspraak van een natuurwezen.
  • Andere mensen ontdekten na het afdrukken van foto’s die ze gemaakt hadden, natuurwezens op die foto’s: net zoals sommige mensen bijvoorbeeld orbs (lichtbollen) ontdekken op hun foto’s. 

Kortom: kennelijk doen veel meer mensen dan wij gewoonlijk aannemen ervaringen op met natuurwezens. Daarbij zijn verschillende zintuigen betrokken: bij de een gaat het via de (geestelijke) ogen, bij de ander via het gehoor en bij een derde via het gevoel. Maar in het gewone, alledaagse leven krijgen we over deze ervaringen nauwelijks of niets te horen. Maar nu, nu een lezing over de natuurwezens werd aangekondigd, zagen velen daarin kennelijk de mogelijkheid om met hun ervaringen naar voren te treden. Zo begon het langzaam tot mij door te dringen: deze lezing over de natuurwezens werkt als het doorbreken van het laatste taboe.

Afkomstig uit de etherische en astrale wereld

Wat mij opviel bij de verhalen over het waarnemen en/of ervaren van natuurwezens is dit: dat ieder hen op een heel eigen manier ziet. Daarom zijn deze ervaringen ook zo moeilijk te delen. Natuurlijk kun je ze wel vertellen aan een ander, en die ander zal daardoor hopelijk ook wel geïnspireerd raken. Maar als die ander vervolgens zelf een ontmoeting krijgt met een natuurwezen, blijkt dat toch een heel andere ervaring te zijn. Juist het persoonlijke van de ervaring leidt ertoe dat je deze zo moeilijk kunt delen met anderen.

Maar hoe komt het eigenlijk dat we de natuurwezens zo verschillend ervaren? Dat hangt samen met het wezen van natuurwezens. Ze komen voort uit de astrale wereld en zijn dus opgebouwd uit astrale energieën. Maar met hun bewustzijn werken en leven ze in de etherische wereld. Als we hen dus waarnemen, nemen we geen wezens waar van vlees en bloed, maar etherische wezens. En omdat ze geen fysiek lichaam hebben, kunnen we hen ook niet waarnemen met onze fysieke ogen, maar alleen met onze geestelijke ogen.

Zo gezien zijn natuurwezens feitelijk energieën die zich af en toe kenbaar proberen te maken aan mensen en die daarom voor heel even een gestalte aannemen. Een gestalte die voortdurend wisselt en voortdurend in beweging is, simpelweg omdat natuurwezens energieën zijn. Dat is de reden dat we bij natuurwezens niet kunnen spreken over een vaste gestalte die er steeds hetzelfde uitziet. En vandaar ook de vele namen die overal in de wereld aan deze wezens gegeven worden.

Geraakt worden door de natuurwezens

De astrale energieën waaruit een natuurwezen is opgebouwd, bestaan vooral uit beleving en gevoelens. Denk maar aan ons astrale lichaam: daarin leven ons bewustzijn, onze gevoelens en onze emoties. Iets dat je heel goed merkt als je wakker wordt: dan keert ons astrale lichaam immers terug uit de geestelijke werelden en verbindt zich weer met ons fysieke en etherische lichaam dat op bed achterbleef. En dus worden we ons, zodra we wakker worden, weer bewust van onszelf en van de wereld waarin we leven. Ook keren dan al onze gevoelens terug.

Niet voor niets zijn er mensen die (vaak met behulp van drank) de slaap zoeken om even te kunnen vergeten wat er is gebeurd en even de pijn niet meer te hoeven voelen. Maar zodra ze ’s morgens weer wakker worden, keren die gevoelens en die herinneringen (vaak na een kort moment, waarin ze zich nog even heel ontspannen voelen) weer terug en voelen ze de pijn weer: hun astrale lichaam begint weer te werken in en aan hen.

Omdat een natuurwezen uit de astrale wereld voortkomt, is het eerste wat er gebeurt wanneer we hem ontmoeten (ook dan, als we hem niet zien): dat we geraakt wordt door een stroom van gevoelens. Verwondering bijvoorbeeld, vreugde en blijdschap. Ook krijgen we het gevoel dat we als het ware opgetild worden tot in een sfeer van lichtheid. Zwaarte, onmacht en donkere gevoelens zoals teleurstelling vallen van ons af en in plaats daarvan voelen we een zekere lichtvoetigheid door ons heen stromen.

Bij kinderen kunnen we dat goed opmerken: als ze gefascineerd staan te kijken naar een kever of naar die ene bloem, dan komt dat meestal omdat de dwerg of het elfje (van die kever en die bloem) het kind met hun astrale energieën raken en het tot een diepe verwondering brengen. Meestal zien ze die dwerg en dat elfje niet, maar ervaren ze wel zijn of haar uitstraling. Zo kan het overigens ook met ons volwassenen gaan, als we tenminste het vermogen hebben behouden om ons bewust te worden van de gevoelens die door ons heen gaan.

Dit alles betekent dat we moeten leren om bewust stil te staan bij de momenten waarin we door een bloem, een bijzondere steen, een boom, een vlinder en ga zo maar door, geraakt worden: dan worden we geraakt door de uitstraling van het natuurwezen dat met die steen (enzovoort) verbonden is. Kortom: een ontmoeting met een natuurwezen is altijd rijk aan beleving! 

Je leren verbinden met de natuurwezens

Er zijn – zo vertelde Paracelsus, de vader van de moderne geneeskunde én van de homeopathie (!) die omstreeks 1500 leefde – vier soorten natuurwezens. Elk van hen is verbonden met één van de vier elementen: aarde, water, lucht en vuur. De vier verschillende soorten natuurwezens zijn:

  • De gnomen of wortelwezens: hun element is de aarde.
  • De undinen of nimfen: hun element is het water.
  • De sylfen of de elfjes: hun element is de lucht.
  • De salamanders of vuurgeesten: hun element is het vuur.

Alle natuurwezens zijn betrokken bij de groei van de plant: de gnomen werken aan de wortels en brengen bijvoorbeeld etherische energieën van de mineralen in de aarde naar de wortel van de plant. De nimfen omhullen het jonge plantje dat net boven de grond verschenen is met een wolk van etherische vochtenergieën: daardoor verdort het niet meteen (want het jonge plantje heeft nog nauwelijks wortels). De sylfen doorstromen de groeiende plant met de etherische energieën van het licht en schenken de plant daarmee een heel eigen vorm. De salamanders doorgloeien de bloem van de plant met etherische warmte en maken vruchtzetting mogelijk.

Mij helpt het om bij het kijken naar planten, bloemen en bomen mij deze werkzaamheid van de verschillende natuurwezens bewust te maken: hoe vaker ik dat doe, hoe meer er in mij een diepe verwondering voor de natuur en de natuurwezens groeit. Zonder de natuurwezens zou er immers helemaal geen natuur bestaan! En wat genieten de natuurwezens ervan, als zij onze dankbaarheid ervaren: dat is voor hen het voedsel dat zij nodig hebben om van te leven!

Leven met de natuurwezens

In de voorbije decennia hebben heel wat mensen de engelen op een nieuwe manier teruggevonden. Ook werden velen van ons zich bewust van de geestelijke wereld, van karma en reïncarnatie en van de blijvende verbinding met onze geliefde gestorvenen. Het lijkt erop dat er nu, in deze tijd, een impuls naar ons toekomt om ons met de wereld van de natuurwezens te verbinden en ons van hun werkzaamheid bewust te worden. Maar hoe leer je bewust om te gaan met de natuurwezens? Kort gezegd, is dat op de volgende manier mogelijk:

  • Maak je bewust op welke momenten je in de natuur geraakt wordt door een bloem, een insect, een steen, een boom, enzovoort.
  • Realiseer je dat de gevoelens van verwondering en van lichtvoetigheid die je daarbij ervaart, waarschijnlijk te danken zijn aan het natuurwezen dat zijn aandacht op jou richt.
  • Vraag vervolgens in een meditatieve stilte of je innerlijk een beeld van dit natuurwezen zou mogen zien.
  • Vaak lukt dat niet de eerste keer, en ook niet de tweede keer: er is veel geduld, echte verstilling en werkelijke, vrijlatende (!) aandacht van het hart nodig om het zien van dit beeld mogelijk te maken.
  • Maar of dat beeld nu wel of niet in je ziel opdoemt, vraag daarna in een meditatieve stilte of je met het natuurwezen in gesprek mag gaan. Vraag niet meteen naar zijn naam: dat is vaak bedreigend en te direct voor natuurwezens. Maar vraag naar zijn opdracht en bijvoorbeeld hoe hij of zij over mensen denkt.
  • Nogmaals: deze benadering vraagt niet alleen geduld, maar ook een oprechte liefde voor de natuurwezens en een bewogenheid met hen. Alleen dan wordt het gesprek met hen mogelijk. En besef daarbij: je doet dit niet alleen voor jezelf, maar ook voor de natuurwezens. Zij hebben jouw liefde en aandacht nodig!

[1] Het boekje verscheen in 1991 en is alleen nog antiquarisch te verkrijgen.  Terug