headerlogo2

Waartoe zijn wij op aarde en welke plek heeft de mens in de schepping? Vragen als deze zijn zo oud als de wereld. In iedere periode van de menselijke geschiedenis worden zij opnieuw gesteld. Wat heeft het esoterische christendom hierover te zeggen?

In het boek Genesis van de Bijbel en de Thora wordt verteld dat God hemel en aarde schiep met alles wat zich daarop bevindt: het licht, het water, het vuur, en de natuur met al haar planten, bomen en dieren in heel hun veelvoud en verscheidenheid. Als laatste zo wordt verteld, schiep hij de mens. Daarmee bleek iets bijzonders aan de hand. Want als enige in de schepping wordt bij de mens verteld dat God hem schiep naar zijn eigen beeld en gelijkenis.

Daaraan is te zien dat de mens een heel bijzondere positie kreeg toebedeeld. Als schepsel waarin de Godheid zichzelf uitdrukt is hij in wezen de kroon op de schepping, het doel waarnaar gestreefd wordt.

 

Het vergeten doel

De diepere betekenis van dit feit is binnen het Christendom voor een groot deel verloren gegaan. Dat kwam omdat in de loop van de tijd, met name in de 20eeeuw, in wetenschap en theologie het aardse, materialistische denken steeds meer de overhand kreeg. Dit aardse denken erkent alleen het uiterlijke, fysieke element als realiteit: alleen dat wat te wegen, te tellen en te meten is, is waar. Al het andere – dus het niet-fysieke, het geestelijke – bestaat niet, is (religieuze) fantasie of kan op de een of andere wijze herleid worden tot het fysieke element. Deze vermaterialisering van het denken leidde ertoe dat het grootste deel van de wetenschappers en theologen tegenwoordig het geestelijke element negeert of zelfs ontkent. Een ontwikkeling die ingrijpende gevolgen had voor de wijze denken over de mens en de menselijke bestemming op aarde.

Bestond de mens aan het begin van de jaartelling, bijvoorbeeld bij de apostel Paulus, nog uit lichaam, ziel én geest, [1] tweeduizend jaar later is het element van de geest in wetenschap en theologie praktisch niet meer terug te vinden. Daarmee ging de werkelijke, diepere betekenis van het menselijk leven verloren. Eén van de ingrijpende gevolgen daarvan was dat de mens een marginale positie kreeg toebedeeld. Hij verloor zijn betekenis. In wezen is de mens, zo zegt men nu, niet meer dan ‘een pluisje, een stofje’ in het heelal en stellen hij en zijn bestaan in het geheel niets voor.

Ook de opvatting over de menselijke ziel onderging door deze ontwikkeling een drastische verandering. Steeds meer ging men er in de wetenschap van uit dat de ziel, en dus ook de menselijke persoonlijkheid, geen eigen substantie bezit maar fysiek is, dat wil zeggen deel uitmaakt van het fysieke lichaam. En dat betekent, zo redeneert men, dat bij de dood als het fysieke lichaam sterft, ook de ziel en de persoonlijkheid sterven en er niets meer overblijft. Met andere woorden: alles wat die mens was, lost op en verdwijnt.

Men ging echter nog een stap verder. In plaats van de mens een speciale plaats toe te kennen op grond van het feit dat hij drager is van het beeld van God, werd hij in de loop van de tijd steeds meer als een dier gezien. Volgens de in onze tijd gangbare opvattingen behoort de mens tot het dierenrijk. [2] Dat betekende dat hij door de wetenschap verbannen werd naar het rijk dat zich ónder het mensenrijk bevindt. Op zich is dat natuurlijk niet verwonderlijk. Want dat wat de mens tot méns maakt en hem van de dieren onderscheidt, namelijk het beeld van God of de Geest van God die hij in zich draagt, wordt immers ontkend.

Waarom is het zo belangrijk om bij deze opvattingen in de wetenschap stil te staan? Omdat de wijze waarop we naar mensen kijken – het mensbeeld dat we hebben - bepalend is voor het antwoord op de vraag of de mens vrij is of onvrij. En zo hij onvrij is of er een mogelijkheid bestaat om vrij te worden. Op grond van het voorgaande is duidelijk dat de mens volgens de huidige wetenschap van nature onvrij is en ook onvrij zal blijven. Hij wordt immers geheel en al beheerst en bepaald door krachten die uit zijn fysieke lichamelijkheid voortkomen: zijn instincten, zijn overlevingsdrang en zijn genetische bepaaldheid. Het DNA vertelt en beslist, zo zegt men, wie de mens is en wat er in het leven met hem zal gebeuren. Daar kan hij niets aan veranderen. Daarom is hij onvrij.

 

Het doel van de schepping volgens het esoterische christendom

Gelukkig bestaan er tot op de dag van vandaag geestelijke stromingen waarin de kennis en waarheden omtrent de menselijke afkomst en bestemming met behoud van het geestelijke aspect terug te vinden zijn. Ik denk hierbij aan spirituele stromingen die onder de noemer ‘esoterisch christendom’ of ‘de esoterische traditie’, inzichten zoals in de tijd van de apostel Paulus nog bestonden, bewaarden én verder brachten. Geestelijke zieners en onderzoekers als bijvoorbeeld de theosofe Mevrouw Blavatsky, Jakob Lorber en de antroposoof Rudolf Steiner waren in staat die oude wijsheden naar de moderne tijd te vertalen én verder te ontwikkelen. Zo brachten met name Jakob Lorber en Rudolf Steiner die oude wijsheid niet alleen op een nieuwe wijze onder woorden, maar verbonden deze ook met het christendom.

Op grond van de nieuwe inzichten die hun schouwingen hen gaven konden zij een andere interpretatie geven aan de gebeurtenissen in de menselijke ontwikkeling en de woorden in de Bijbel. Daarmee lieten zij de veel diepere, esoterische betekenissen zien die hierin besloten liggen.

Wat is het doel van de schepping volgens het esoterische christendom? Net als in de Bijbel heeft de mens in deze opvatting de opdracht het beeld van God dat hij in zich draagt op een eigen, individuele wijze, in heel zijn volheid tot ontplooiing te brengen.

Het beeld van God dat in het innerlijk leeft, wordt in het esoterisch christendom ‘de innerlijke geestelijke mens’ genoemd. Deze geestelijke mens wordt meestal aangeduid als het ‘hogere Zelf’, het ‘geestelijke Zelf’ of het ‘hogere Ik. Het maakt deel uit van God of het goddelijke en heeft dezelfde kwaliteiten. De geestelijke mens is dus niet God zélf, maar een deel van God. Net zoals een druppel water uit de oceaan niet dé oceaan is, maar een deel daarvan.[3]

Deze hogere geestelijke mens – die zich in alle mensen op aarde bevindt - leeft als geestelijke kern in de diepten van de menselijke ziel. Maar nog onbewust voor het gewone alledaagse bewustzijn.

Heel de menselijke ontwikkeling is erop gericht dat de mens in de loop van de menselijke evolutie deze geestelijke kern vanuit zijn innerlijk tot ontplooiing brengt. Of, anders gezegd: doordat God de mens naar zijn evenbeeld geschapen heeft is het de bedoeling dat de mens in toenemende mate vanuit eigen inzicht en vanuit vrije wil leert handelen en scheppen.

Hoe realiseert zich dat?

Doordat de mens in steeds weer nieuwe incarnaties stap voor stap aan de vervolmaking van zichzelf werkt. Die inspanning leidt er toe dat geleidelijk aan de goddelijke geest die in hem leeft, geboren wordt en de daarbij behorende scheppende krachten in hem vrij komen.

De apostel Paulus spreekt in de Bijbel in dat verband van ‘het openbaar worden van de ‘Zonen van God’. [4] De ‘Zonen van God’ zijn de mensen die in zich de goddelijke Geest tot ontwikkeling brengen. Als vrije, zelfbewust geworden, scheppende geest weten zij wat zij doen en werken zij vanuit een omvattend bewustzijn mee aan het grote verlossingswerk in dienst van God. Dat wil zeggen: aan het vrijmaken van mens en aarde uit de greep van de materie en het materialisme en aan de transformatie naar hogere niveaus van geestelijk bestaan.  

Van dit gezichtspunt uit gezien heeft de mens dus een grootse toekomst waarin het aspect van de vrijheid een essentiële rol speelt. Een toekomst die pas in veel latere tijden in heel haar grootsheid duidelijk zal worden. Want, zoals de schrijver Johannes in de Bijbel zegt: ‘Het is nog niet verschenen wat wij zullen zijn’.[5] Ooit zal blijken hoe oneindig veel de goddelijke wereld in de menselijke ontwikkeling geïnvesteerd heeft en hoe hoog de verwachtingen vanuit deze wereld naar de mens toe zijn.  

 

Naar het begin van dit artikel