headerlogo2

Hoe kijkt het traditionele kerkelijke christendom naar de verlossing door Christus tijdens Goede Vrijdag en Pasen en hoe het esoterische christendom ? Daarvoor moeten we eerst beide karakteriseren.


Het traditioneel-kerkelijke christendom
In het traditioneel-kerkelijke christendom wordt de dood aan het kruis op Goede Vrijdag en de opstanding – de overwinning op de dood - van Jezus Christus op Paaszondag, gezien als een daad waardoor God zich weer met de mensen verzoende. Die verzoening was nodig omdat de mensheid in een situatie van schuld en zonde terecht was gekomen en daardoor steeds meer afgedwaald van  God. Oorzaak van die schuld was het handelen van Eva en Adam in het Paradijs. Adam en Eva leefden in de oertijd als eerste mensen in de directe nabijheid van God. Zij verkeerden, zo zegt het kerkelijke christendom, in een toestand van volmaaktheid totdat zij van de verboden vruchten aten van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad die zich in het Paradijs bevond. De overtreding van het gebod maakte hen schuldig en onvolmaakt. Daardoor konden ze niet langer in het Paradijs  blijven en werden ze verdreven. Zo begon met hen de tocht van de mensheid op aarde die tot op de dag van vandaag voortduurt en die met pijn en lijden gepaard gaat.
Ruim 2000 jaar geleden, aan het begin van onze jaartelling, komt op Golgotha in het toenmalige Israël, in die toestand verandering. Jezus Christus wordt gekruisigd en neemt met zijn dood en zijn overwinning op de dood, de schuld en zonden van de mensen op zich. Het bloed van Christus wast de mensen vrij, hun zonden worden hen vergeven en de weg naar God wordt weer geopend. Althans voor die mensen die zich door middel van de kerk met Jezus Christus verbinden.


Het esoterische christendom
De dood en opstanding en de verlossing door Jezus Christus en de vergeving van de zonden heeft ook in het esoterische christendom een centrale plaats, zij het dat dit hele gebeuren deel uitmaakt van een veel bredere opvatting over mensheid, aarde en kosmos. Daardoor verandert het als het ware van betekenis en kleur en krijgt het een ander, breder, perspectief.
Als je de hiervoor genoemde traditioneel kerkelijke opvatting wat diepgaander beschouwt zie je dat hier gemeend wordt dat er ergens – namelijk in het Paradijs - iets is misgegaan. Met andere woorden: er heeft zich iets voorgedaan dat niet had moeten gebeuren. Had de mens niet gezondigd maar was hij gehoorzaam geweest aan God dan leefde hij nu nog in het Paradijs. De zondeval had dan niet plaatsgehad en we waren als mensen heel wat beter af geweest dan nu. Die opvatting leeft tot op de dag van vandaag voort. 

Het esoterische christendom ziet dat anders. De verdrijving uit het Paradijs: de goddelijke wereld waarin de mens in de directe nabijheid van God leefde, was noodzakelijk opdat hij een vrij en zelfstandig individu kon worden in wie de levende scheppende kracht van de Allerhoogste op de juiste wijze tot uitdrukking kon komen. De mens is geschapen naar het beeld van God en de zin van de schepping bestaat daarin dat hij dat beeld van God in zich verwerkelijkt.

Doel van de mens: de tiende hiërarchie te worden.
Als mens kunnen we alleen een individu worden in de wereld van de materie, de aardse stoffelijkheid. Alleen daar is het mogelijk een afzonderlijk fysiek lichaam te hebben en zo een persoon op zichzelf te worden. In de ‘oude’ goddelijke wereld bestond die mogelijkheid niet. Zoals overal in de geestelijke wereld leeft ook daar alles ín elkaar. Alles was één in God, in een ongedeelde eenheid. Met het scheppen van de mensen als beeld van zichzelf begint God dus een heel nieuwe experiment. Een experiment dat er toe moet leiden dat de mensheid ooit, naast de hiërarchie van de Engelen, de tiende hiërarchie van scheppende goddelijke wezens wordt. Dan is haar doel bereikt.

‘Pas als de schepping van de Schepper zélf scheppend wordt, is zij volmaakt,’

 
zei mysticus Meester Eckhart in de Middeleeuwen al. Daarmee drukt hij de essentie van het esoterische christendom uit.

De zondeval
Om te kunnen individualiseren daalde de mens als geestelijk wezen in de loop van de evolutie in steeds nieuwe aardelevens af in de wereld van de materie. En verbond zich daar steeds dieper mee. Die ‘val in de materie’ wordt ook wel ‘de zondeval’ genoemd: de val in de af-zonde-ring, de afscheiding van de goddelijke wereld.
De mens moest echter niet alleen een individu worden, hij moest ook vrij en zelfstandig worden. Zelfstandig en vrij ben je alleen als je zelf kennis hebt van en inzicht hebt in goed en kwaad. Immers pas dan is het mogelijk op een vrije wijze, van binnenuit voor het goede te kiezen. Dat was alleen te bereiken als de mens behalve het goede, ook het kwaad in zijn leven zou ontmoeten en daar mee leert omgaan. Daarom liet de goddelijke leiding van mens en mensheid naast het goede, positieve, ook het kwaad, het negatieve, in de wereld en in de schepping toe. Al vanaf het begin, vanaf het verblijf in het Paradijs! Er was de slang die Eva verleidde én er was de Boom van Goed en Kwaad die de vruchten bezat waardoor Eva en Adam ongehoorzaam konden zijn en konden ‘zondigen’. Dat wil zeggen: zich afzonderen, zich losmaken van de goddelijke wereld.

De verlossing uit de materie
De eerste helft van de menselijke ontwikkeling – de afdaling naar de aarde -  was nodig om de individualisering teweeg te brengen, dat wat je ook ‘het egoisme van de afzondering’ kunt noemen. De tweede helft van die menselijke ontwikkeling heeft tot doel de mensen door middel van de krachten van wijsheid en liefde weer te verbinden met en in te voegen in de wereld van God. Bij die terugkeer gaat de individualiteit van de mensen niet verloren – dat zou een terugval in de oude situatie betekenen – maar vindt daarin juist zijn voltooiing. De eerste helft betekent incarnatie in een steeds dichter wordende materie. In de tweede helft van de evolutie keert die richting zich om en vindt er een geleidelijke oplossing van de materie en een vergeestelijking van mens en aarde plaats. Daaruit bestaat de verlossing van de mensheid.


Leider van de mens op aarde
Het hoge goddelijke wezen dat heel deze menselijke ontwikkeling mogelijk maakt en draagt is Christus, de Geest die de Liefde zelf is. Hij leidt het lot van mens en aarde vanaf het oerbegin tot aan het einde van de aardeperiode. Dat verwoordt hij zelf heel prachtig in het Mattheus evangelie: ‘En zie, ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding van de wereld’ (Matt.28:20).
Tijdens de eerste helft van de menselijke evolutie – de periode van de afdaling naar de aarde en de individualisering of ik-ontwikkeling – werkte hij van buitenaf op mens en aarde in. De tweede helft van de menselijke ontwikkeling, waarin het proces van omvorming en vergeestelijking plaatsvindt, de weg naar de nieuwe verbinding met de goddelijke wereld, kon alleen intreden als hij zijn eigen goddelijke krachten in zou zetten. Alleen dan konden de krachten die de mens steeds dieper de materie binnenzuigen – en daarmee in de sfeer van het kwaad – overwonnen worden. En van daaruit omgevormd en op de juiste wijze vergeestelijkt.


De kruisdood op Golgotha
Om dat te bewerkstelligen daalde Christus zélf naar de aarde af. Hij werd mens in Jezus van Nazareth. Als zodanig leefde hij drie jaar op aarde en ging door zijn offerdood aan het kruis op Golgotha. Met het bloed dat uit zijn wonden stroomde bracht hij zijn goddelijke kracht en energie de schepping binnen en doortrok deze met zijn dood en materie overwinnende opstandingskracht.
Van dat moment af leeft Christus ín de aardse schepping: ín de aarde, ín de natuur, ín ieder mens afzonderlijk en ín de mensheid als geheel.


Geest van de aarde
In plaats van van buitenaf, leidt en draagt hij ons mensen en de aarde nu van binnenuit. Christus is de leidende geest van de aarde geworden. Dat betekent dat in onze tijd ieder mens op aarde Christus, de Geest van Liefde, in zijn eigen innerlijk kan ontmoeten, in de andere mens, in de natuur, in groepen van mensen en daarin zijn hoge wijsheid en liefdekracht ervaren.
Sinds de gebeurtenissen op Golgotha leeft, door Christus, in ons innerlijk, náást de krachten van het goede en de krachten van het kwaad, ook zijn transformerende en vernieuwende opstandingskracht.
Daardoor kunnen wij onderscheid leren maken tussen goed en kwaad en ons actief en bewust bevrijden uit de greep die de wereld van de materie op ons heeft en met vallen en opstaan de weg vinden naar een steeds diepere verbinding met God en de goddelijke licht- en liefdewereld.


Karma en reïncarnatie
Hoe moeten wij ons dat voorstellen? Hoe kunnen wij ons uit de wereld van de materie en alles wat daarmee verbonden is bevrijden? Hoe sluiten wij in toenemende mate aan bij de goddelijke wereld? Daar helpen ons de wetten van karma en reïncarnatie bij.
Na ieder leven kijken wij na de dood op het zojuist beëindigde aardeleven terug. In het boek Omgaan met gestorvenen. Leven voorbij de dood dat Hans Stolp en ik schreven, laten we zien hoe die terugblik begeleid wordt door een Wezen van Licht dat alle negatieve en pijnlijke, maar ook al onze mooie en goede ervaringen op aarde met zijn liefde omhult. In dat Wezen van Licht kunnen we het wezen van Christus herkennen. In zijn wijsheidslicht en liefde kijken we op ons afgelopen leven terug. Samen met hem zien we dan: dat ging goed, daar vond ik het juiste woord of het juiste gebaar, hier verloor ik mijzelf, daar veroorzaakte ik pijn, daar ben ik gemeen geweest of aldoor negatief, en in die situatie kon ik heel bewust het juiste doen.


Alles heeft een uitwerking
Hieruit blijkt: al onze gedachten, woorden, gevoelens, opmerkingen, emoties, impulsen, meningen,  handelingen, ja alles wat van ons uitgaat, zowel in negatieve als in positieve zin, hebben een bepaalde uitwerking op onze omgeving. Die komen we in het leven na de dood stuk voor stuk weer tegen. Nu om er inzicht in te krijgen, ervan te leren en ons zo nodig voor te nemen het een volgende keer anders of beter te doen.
Heel dat proces van terugblikken en inzicht krijgen in wat we goed en wat we fout hebben gedaan, bewust of uit onwetendheid, heel dat karma dat we in het afgelopen leven hebben opgebouwd, én onze voornemens in een volgend leven verder te ontwikkelen, wordt gedragen door Christus. Dat gebeurt bij elk mens of hij nu in hem gelooft of niet. In de tweede helft van onze menselijke evolutie is Christus – wat in het esoterische Christendom, met name in de Theosofie en de Antroposofie, genoemd wordt – Heer van het Karma. Leider van het lot van de aarde en van het lot van ieder afzonderlijk mens.


De weg naar vrijheid, wijsheid en liefde
In tegenstelling tot het kerkelijke, traditionele christendom wordt hier dus niet gezegd: door de daad van Jezus Christus op Golgotha zijn al je schulden en zonden vergeven, waarna we – zonder verdere ontwikkeling (!) – in eeuwige rust in de hemelwereld verblijven.
Het esoterisch Christendom laat zien dat Jezus Christus ons mensen als zelfstandig individu erkent – de verworvenheid uit de eerste helft van de menselijke evolutie – en ons vervolgens helpt onze vrije wil tot ontwikkeling te brengen. Immers alleen dan kunnen we scheppers van het goede worden. We krijgen inzicht in onszelf, in andere mensen, in dat wat we goed en niet goed deden en we leren begrijpen. Inzicht en begrip maken ons innerlijk vrij en wijs. Inzicht en innerlijke vrijheid maken dat wij het goede willen en dat ook willen realiseren. Zo ontstaat liefde. Bewuste, door wijsheid gedragen liefde. Op die wijze ontwikkelen wij ons geleidelijk aan, met behoud van ons zelfbewustzijn, steeds dichter naar de wereld van God.


Persoonlijk karma
Vanzelfsprekend maakt ieder van ons in dit proces – om met de filosoof Sartre te spreken - vuile handen. Ieder moment van de dag opnieuw. Daar komt bij dat we met onze fouten en onvolmaaktheid en onze onbewustheid schade toebrengen: aan andere mensen en aan onszelf.
En niet alleen daaraan. Alles wat wij zeggen, voelen, denken of doen, alles wat van ons uitgaat, werkt ook door in alle lagen van de aarde en de natuur, de planten en de dierenwereld. Tot in hun geestelijke dimensie toe. Al naar gelang de kwaliteit is dat negatief of positief. In onze sterk op onszelf gerichte ik-cultuur kunnen we er van uitgaan dat wij mensen zeer verstorend werken op de geestelijke ondergrond van natuur en aarde. Die gaan daardoor achteruit. Dat kunnen we overal om ons heen zien gebeuren.
De schade die wij aan anderen en onszelf toebrengen, het negatieve, persoonlijke karma, kunnen wij grotendeels zelf weer goedmaken We doen dat door over de dingen na te denken, tot inzicht te komen, vergeving te vragen en de dingen anders te gaan doen.
Ook helpt ons daarbij de werking van karma en reïncarnatie waardoor we in een volgend leven goed kunnen maken wat we in een vorig schade hebben toegebracht.

Karma ten opzichte van de wereld
Er is echter één soort schade die wij zelf niet kunnen vereffenen. Dat is de schade die wij mensen door ons verkeerde handelen en doen, ons negatieve voelen en denken toebrengen aan de aarde en de natuur en de geestelijke krachten die daarin werkzaam zijn. Ons negatieve karma ten opzichte van de wereld. De vereffening daarvan gaat ons vermogen ver te boven. Deze culminerende schade en schuld – er wordt immers steeds iets toegevoegd – zou ons en de aarde totaal verpletteren en verwoesten als dat niet op een andere wijze vereffend werd. Deze schuld vereffent Christus voor ons. Alle destructieve gevolgen van onze daden ten opzichte van de aarde en de natuur neemt hij in zijn ontzagwekkende wezen op en transformeert ze in het goede. Ieder moment van de dag. Steeds weer opnieuw. Zo vergeeft hij onze schulden. Met andere woorden: Maakt hij ze ongedaan.

Het is dankzij Christus, dankzij zijn gaven aan ons mensen, zijn genade, zijn in ons leven, dat wij op aarde onze ontwikkelingsweg naar steeds hogere niveaus van bestaan kunnen vervolgen en onze opdracht als mens kunnen vervullen.


Naar het begin van dit artikel