headerlogo2

In onze tijd neemt de belangstelling voor karma en reïncarnatie toe. Het geeft aan dat in het alledaagse menselijke bewustzijn de bewustzijnswereld van de geest bezig is wakker te worden. Daarmee komt er een einde aan het duistere tijdperk, het Kali Yuga. In het Kali Yuga, die on­geveer 5000 jaar duurde, moest de mens geleidelijk aan alle samenhang met de geestelijke we­reld verliezen om, volop levend in de fysiek-materiële wereld, zijn eigen zelf- of ik-be­wust­zijn te ontwikkelen.


De sluiers vallen weg

Nu dat doel is bereikt en de mens een zelfstandige persoon­lijkheid is geworden, komt daar verandering in. De sluiers, die de realiteit en de werkzaam­heid van de geestelijke wereld tot nu toe voor het gewone bewustzijn verborgen hielden, val­len in onze tijd weg. En dat heeft tot gevolg dat in het alledaagse ik-bewustzijn krachten van de gees­te­lijke wereld binnenkomen. In de zielen van de mensen worden behalve andere gees­telijke krachten, ook de krachten van de hogere geestelijke mens wakker die in het ik, de ik-per­soon­lijheid, willen worden opgenomen. We kunnen dat daaraan zien dat mensen zich vra­gen gaan stellen. Vragen als: “Wie ben ik eigenlijk? Wat wil ik met mijn leven? Wat voor mens wil ik eigenlijk zijn?” Die vragen komen voort uit de behoefte inzicht te krijgen in het eigen leven en in de eigen karmische omstandigheden, maar ook uit de wil daar op een actieve en goede wijze mee om te gaan.

Zelfbezinning en wakker worden van de innerlijke geest

Nu de geest op aarde wakker wordt, wil het bezinningsproces op het leven dat zich vroe­ger alleen in het leven na de dood voltrok, ook in het gewone alledaagse leven plaats gaan vinden. Daarom zien we dat mensen de vragen die in hun innerlijk oprijzen, serieus nemen, zich op hun biografie gaan bezinnen, het leven gaan bestuderen, daar boeken over lezen, en actiever worden in hun eigen ziel. Zij krijgen de behoefte zich bewust te worden van de er­va­ringen, de impulsen en idealen die in hen leven; ze denken daarover na en willen er iets mee doen.
Deze vragen, de studie en de voortdurende innerlijke denk- en bewustzijnsactiviteit lei­den er nu toe dat in de ziel de hogere geestelijke mens wakker en actief wordt. Want alleen door eigen innerlijke activiteit, door zelfbezinning, verheffen we dit geestelijke wezen uit de eigen diepten en krijgen we er bewustzijn van. En met dat bewustzijn begint de innerlijke werk­zaamheid van de hogere geestelijke mens.

Zelfstandiger en zelfbewuster

We kunnen dat daaraan merken dat zich in het denken, in het gevoel en in de wil steeds iets meer gaat uitdrukken van wat we werkelijk zelf zijn. Zo worden we zelfstandiger en zelfbewuster. Niet andere mensen of theorieën zeggen dan wat we moeten denken en doen, noch conventies en tradities, noch de impulsen van sym­pa­thie of antipathie die uit de onverloste delen van onze ziel opstijgen, maar onze innerlijke, ho­gere mens. Deze zelfstandigheid en dit zelfbewustzijn leiden er dan toe dat we niet alleen wijzer worden en beter met andere mensen en situaties kunnen omgaan, maar dat we ons ook steeds meer verantwoordelijk voelen voor onze eigen daden en gedachten.

Bewustzijn van de gevolgen van ons gedrag
Rudolf Steiner wees erop dat het gevoel van verantwoordelijkheid van datgene wat van ons uitgaat, steeds sterker zal worden. Dat komt doordat we met de toenemende werk­zaam­heid van de geest in ons, geleidelijk aan ook iets zullen gaan waarnemen van de gevol­gen die ons gedrag van nu in de toekomst zal hebben. Steiner zei dat zo:
‘Het tijdperk breekt aan waarin de mensen op het moment dat zij iets hebben gedaan, een voor­gevoel, wellicht zelfs een duidelijk beeld, een indruk zullen hebben van wat de karmische vereffening van deze daad zal zijn’. Dit fenomeen treedt op omdat de toenemende zelfstandigheid en eigen verantwoorde­lijk­heid van ons mensen in nauwe relatie staan met het werken van Christus in deze tijd.

Deze nieuwe werkzaamheid van Christus houdt in dat hij veel duidelijker dan voorheen niet alleen ervaar­baar en zelfs zichtbaar zal worden, maar dat hij ook in het menselijk lot zal ingrijpen, en in ons innerlijk bewustzijn moraliteit en orde zal oproepen.
De vrijheid, zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid van de individuele mens is daarbij echter altijd voor hem uitgangspunt. Ik wil u dat met een klein voorbeeld duidelijk maken.In één van de apocriefe boeken staat beschreven dat Christus op de sabbat een man aan het werk ziet. Binnen het jodendom bestond echter een streng verbod op arbeid op de sabbat. Christus zegt nu tegen deze man:‘Mens, als je weet wat je doet, ben je gezegend, maar als je dat niet weet, ben je vervloekt en een overtreder van de wet’.

Leven vanuit de innerlijke wet
Wat wil dat zeggen? Het is duidelijk dat Christus rechtstreeks het zelfbewustzijn en de eigen verantwoordelijkheid van deze man aanspreekt. Hij zegt dus in feite: ‘Als je innerlijk wakker bent en de gebodsovertredingen voor jezelf kunt verantwoorden, dat wil zeggen voor het ho­ge­re geestelijke zelf dat in je leeft, dan ben je ten opzichte van het goddelijke gerechtvaardigd en dus vrij’.  De goddelijke geest die in ons leeft is immers waarachtig en goed. Zijn wezen is waarachtigheid, harmonie en goedheid. De mens die vanuit deze bewustzijns- en morele kracht kent en doet, handelt daarom juist en goed, Dat wil zeggen, in overeenstemming met de wetten die aan de goddelijke ordening van het leven en de ontwikkeling ten grondslag lig­gen. Daardoor is hij vrij.
Christus zegt dan verder:‘Ben je je daarentegen niet bewust dat je de goddelijke wet overtreedt, of bekommer je je daar niet om, dan moet je de gevolgen van het overtreden van die goddelijke wet ook dragen. Daar­door ben je onvrij’.

Vereffening
Wat betekent dit nu in termen van karma en vereffening? Het betekent dat de daden in het laat­ste geval moeten worden vereffend en in het eerste geval niet. In het laatste geval is door onbewustheid of moedwilligheid schade toegebracht aan de goddelijke ordening. Die moet worden hersteld, wil de ontwikkeling van de individuele mensen, de mensheid als ge­heel, de aarde en de kosmos op de juiste wijze verdergaan. Daarom moeten de daden die scha­de heb­ben toegebracht worden vereffend. Door weer goed te maken wat verkeerd werd ge­dacht of gedaan, wordt het evenwicht in de goddelijke ordening van het leven hersteld.
In het eerste geval is er geen sprake van schade, want de mens handelt daar vanuit de geest, het goddelijke in zichzelf, en dus in overeenstemming met de wetten van het goddelijke of van God. Hij hoeft dan ook niets te vereffenen en goed te maken, ook al heeft hij de oude wet overtreden! Christus legt andere maatstaven aan dan Mozes.

Dit voorbeeld toont een aantal belangrijke aspecten. Het geeft in de eerste plaats aan dat Christus, als leider van de menselijke ontwikkeling en het menselijk karma, voor de be­oor­deling van de daden van de mensen, andere maatstaven aanlegt dan die welke aan de oude wet, de wet van Mozes, ten grondslag liggen. De wet van Mozes, de wet van de tien geboden, had tot doel ervoor te zorgen dat de mens met zijn gedrag de heersende goddelijke ordening niet verstoorde. Doordat hij in oudtestamentische tijden nog geen eigen onderscheidings- en oordeelsvermogen bezat, moest de mens van buitenaf door middel van wetten worden geleid. Het waren wetten die hun basis hadden in de goddelijke ordening die in die tijd op een bepaalde wijze aan het leven ten grondslag lag. De wet van Mozes was daarvan de belangrijkste. De tien geboden, in ge­bie­dende stijl gesteld, moest de mens gehoorzamen. Deed hij dat, dan was hij goed en vrij.

Er hoef­de dan geen vereffening plaats te vinden, want er werd geen schade veroorzaakt en er was dus geen sprake van schuld. Deed hij iets verkeerd, dan moest er op geestelijk gebied vanzelf­sprekend karmisch worden vereffend. Bovendien werd hij in het gewone leven voor zijn zon­den gestraft en soms zelfs uit de gemeenschap gestoten. Van individuele vrijheid was toen dus geen enkele sprake.
Op het moment dat Christus zich op Golgotha als goddelijke macht, als God de Zoon, met de aarde en de menselijke ontwikkeling verbindt, komt in de oude goddelijke ordening ver­andering. Behalve de vele andere veranderingen de hij bewerkstelligt, verbindt Christus ieder afzonderlijk mens op aarde op een nieuwe wijze met de geest. Als gevolg daarvan ont­wikkelt de mens niet alleen het ik, waardoor hij een zelfstandige persoonlijkheid wordt, maar kan in die mens en in dat ik geleidelijk aan ook de geest tot openbaring komen.

Vanuit eigen inzicht handelen

De verbinding met de geest schenkt de mens na Golgotha een eigen denk- en oordeels­vermogen. Dat oordeelsvermogen moet hij weliswaar zelf ontwikkelen, maar in de mate waar­in hem dat lukt, is hij in staat zelf te beoordelen wat waar en goed, en wat onwaar, slecht en verkeerd is. Zo kan hij zelf tot inzicht komen en vanuit dat inzicht op een wijze leren han­de­len die in de gegeven situatie de juiste is. Het is een handelen dat totaal kan verschillen van dat van andere mensen in een vergelijkbare situatie. Want de weg van de mens na Golgotha is in de eerste plaats een individuele weg; een weg waarin hij van de geestelijke wereld de vrij­heid heeft gekregen om vanuit zijn eigen inzicht en verantwoordelijkheid te leren handelen.


Van binnenuit vrij worden

Op die wijze wordt hij geleidelijk aan ook van binnen vrij. Daarom hanteert Christus voor de beoordeling van de daden van de mensen niet langer de wet van Mozes, de wet die voor ieder­een dezelfde is en dus eenieder dwingt in eenzelfde situatie op eenzelfde wijze te handelen. Voor Christus is na Golgotha het criterium: de vraag of en in hoeverre het betreffende indivi­du al dan niet in overeenstemming dacht, voelde en handelde, met de goddelijke geest die in zijn eigen innerlijk leeft. Dat wil zeggen, in overeenstemming met zijn eigen geweten, het be­wust­zijn en de wil van zijn eigen hogere, geestelijke mens. Dat wordt voor hem het uit­gangs­punt.
Denkt en handelt de mens op een onwaarachtige of verkeerde wijze, bewust dan wel on­bewust, dan treedt er, door onrecht of leed, schade en daardoor schuld op. Hij dacht en han­del­de dan niet vanuit het inzicht en de wil van zijn hogere zelf.

Ook voor Christus geldt dan dat de schade die aan de omgeving en aan zichzelf is toegebracht, vereffend en dus weer moet worden goedgemaakt.
Denkt, voelt en handelt de mens daarentegen vanuit zijn innerlijke hogere mens, dan is hij vrij en hoeft er niets te worden vereffend. Zelfs niet als tijdens die handeling de oude wet van Mozes wordt overtreden. Het denken en het handelen dat uit de innerlijke mens voort­komt, rechtvaardigt voor Christus het overtreden van de oude wet. Ja, het kan dat zelfs nood­zakelijk maken.

Het voorgaande laat zien dat de mens die handelt vanuit een inzicht dat voortkomt uit de innerlijke geest, hoger staat, dus een stap verder is, dan de mens die zich zonder meer en uit­sluitend aan de wet onderwerpt. In hem is immers de geest, het eigen bewustzijn en het ei­gen oordeelsvermogen toegenomen.


Vóór Golgotha was de mens geheel en al gebonden aan de wet. Als individu op zich deed hij er niet toe. Na Golgotha, als in de mens het Ik-ben van Christus gaat leven, komt de mens geleidelijk aan als individu centraal te staan. Doordat in hem de goddelijke geest tot ont­wikkeling komt, is hij op weg naar innerlijke vrijheid. En dat betekent dat de karmische be­oor­deling van zijn daden een steeds individueler aangelegenheid wordt.

Een weg van vallen en opstaan
Het hoeft geen betoog dat de weg van de mens naar vrijheid ook grote risico’s met zich mee­brengt. Niet alleen voor hemzelf, maar doordat in de goddelijke ordening alles met alles ver­bonden is, ook voor de mensheid als geheel, de aarde en zelfs de kosmos.
De weg naar innerlijke vrijheid en verantwoordelijkheid voor de eigen daden is im­mers een weg die bij ieder mens met vallen en opstaan gepaard gaat, een weg waar hij van de eigen fouten moet leren. Dat gebeurt zowel tijdens het leven op aarde als in het leven na de dood. Het betekent dat er enerzijds dingen goed worden gedaan, maar dat er anderzijds ook steeds wordt afgegleden naar het verkeerde en het slechte. Dat is het onvermijdelijke gevolg van het feit dat de mens zelf het onderscheid tussen goed en kwaad moet ervaren en leren ken­nen.

De krachten van de duisternis
De zaak wordt echter problematischer nu met het toenemen van de krachten van het licht, die met de geest samenhangen, ook de krachten van de duisternis, die in de nog onver­los­te delen van de ziel leven, sterker worden. De mens loopt daardoor het gevaar nog veel sterker in de greep van het kwaad te komen en steeds slechter te worden. Daarmee vormt hij niet alleen een risico voor de ontwikkeling van de mensheid en de aarde, maar dreigt hij zelf in de afzondering terecht te komen, dat wil zeggen, uit de goddelijke ordening te vallen. En dat zou zijn ondergang betekenen.
Wat Christus, als heer of leider van het karma, nu doet is dat hij de vereffeningen van de boze daden van het individu op een bepaalde wijze laat plaatsvinden. Hij zorgt er in dit ge­val voor dat de vereffeningen niet alleen de schade herstellen die de mens aan anderen en zich­zelf heeft toegebracht, maar dat dit weer goedmaken van de negatieve daden zo gebeurt, dat het een zo groot mogelijk aantal mensen en de aarde ten goede komt.

Christus voegt in de goddelijke ordening in

Op die wijze redt Christus door middel van de werking van karma en reïncarnatie de mens die verloren dreigt te gaan en voegt hij hem weer in de goddelijke ordening in. Dat ge­beurt dan op zo’n wijze dat datgene wat aanvankelijk negatief en boos was, er uiteindelijk toe bijdraagt dat het goede wordt versterkt.

Groei in liefde voor de ander
Hoe meer door het werken aan zichzelf, in de mens de kracht van de geest tot ontwik­ke­ling komt, hoe meer in hem ook de werkzaamheid van Christus toeneemt: behalve zijn be­wustzijn worden ook zijn liefdekrachten groter. Bewustzijn en liefdekrachten stellen hem sa­men in staat tot een onzelfzuchtige, objectieve liefde, die op inzicht en begrip is gebaseerd. Doordat dit vermogen van objectieve liefde zich ontwikkelt, verandert ook zijn innerlijke hou­ding ten opzichte van andere mensen.

Ik zal daar enkele voorbeelden van geven.
In de eerste plaats neemt door de werking van de Christusgeest in de mens de interesse toe voor de andere mens en de weg die deze ander gaat. Hij gaat de ander vragen stellen en wordt zich zo bewust welk karma deze draagt, welke pijn en moeite het haar of hem kost zichzelf te vinden, en welk diep verlangen er leeft zich te ontwikkelen en aan de vooruitgang van de mensheid en de aarde bij te dragen. Dat inzicht en begrip leiden ertoe dat hij zich be­trok­ken gaat voelen bij de ontwikkeling van de ander en geleidelijk aan ook medeverant­woor­de­lijk­heid beleeft voor diens welzijn en bestaan. Een dergelijke innerlijke houding noemen wij een gevoel van broederlijkheid of zusterlijkheid.

Broederlijkheid of zusterlijkheid

Daarmee is niet de soort broederlijkheid of zusterlijkheid bedoeld die tus­sen bloedverwanten bestaat en daar vanzelfsprekend is, maar een verbinding die uit de geest voortkomt en dus haar basis vindt in een verwantschap in de geest.Geestverwantschap, broederschap in de geest, kan er uiteraard alleen zijn doordat in alles en in ieder afzonderlijk mens de goddelijke geest leeft; de goddelijke geest die als god­delijke kracht het leven en alles wat daarin gebeurt, draagt en in zinvolle samenhang en or­de­ning brengt. Het is de geest die in het menselijke ik tot activiteit en opstanding wil komen.

Broederschap of zusterschap vanuit de geest ontstaat echter alleen als de geest wakker en actief wordt, waar­door er herkenning kan plaatsvinden. Dat wil zeggen, als er door eigen innerlijke activiteit, zo­­als inlevende betrokkenheid, inzicht en begrip, geleidelijk aan iets van het wezen, het specifiek eigene van de ander, wordt ervaren, maar ook als beiden vanuit deze innerlijke actieve houding sa­men zoekend en tastend trachten te begrijpen wat zich in de fenomenen van het leven of de gebeurtenissen in de wereld afspeelt. De geestverwantschap die door deze activiteit ontstaat, schenkt een gevoel van verbondenheid dat de broederlijke gevoelens die uit bloedverwant­schap voortkomen, ver te boven gaat.


Het karma van de ander meedragen
Hoe meer de kracht van de Christusgeest door onze innerlijke activiteiten in ons tot werk­zaamheid komt, hoe meer wij deze waarheid zelf zullen beleven. We zullen ons dan be­wust worden dat datgene wat diep in onszelf leeft, ook in elk ander mens leeft, en dat de god­delijke band die daaraan ten grondslag ligt, ons allen verbindt en tot mensheid verenigt.Zo komt de mens in wie de innerlijke geest waker wordt ertoe vanuit innerlijke be­trok­kenheid en verantwoordelijkheidsgevoel, het karma van de ander mee te dragen en datgene te wekken en te steunen wat in haar of hem worden wil en tot uitdrukking wil komen. Elk succes dat die ander heeft en elke stap die deze in haar of zijn ontwikkeling zet, zal hem dan innerlijk zoveel doen als betreft het hemzelf.Rudolf Steiner heeft aangegeven dat deze hulp bij het dragen van het karma in de toe­komst zo ver zal gaan, dat de ene mens in staat en in de gelegenheid zal zijn, om delen van het karma van een ander die te zwaar voor hem zijn, op zich te nemen en voor hem te vereffenen.

Omgaan met onrecht

Een ander voorbeeld van een veranderend houding van de ene mens ten opzichte van de an­der, als gevolg van de werking van de geest, vinden we in het vermogen en de wil om te ver­ge­ven wat andere mensen ons hebben aangedaan. Ieder mens die leed, pijn of onrecht ervaart, heeft van nature de impuls direct terug te slaan en de ander op diens beurt te treffen, op zijn nummer te zetten of pijn te doen. Mensen die dat ook daadwerkelijk uitvoeren, kijken daar dan vaak met een soort voldoening op terug. Er werd onrecht gedaan of iets onjuist gezegd en dat werd vergolden. Zo werd de zaak vereffend en het evenwicht hersteld. Maar waarmee werd vergolden? Met ander kwaad. Want door het terugslaan heeft nu ook de ander kwetsuren en pijn. Dat kan dan weer opnieuw aanleiding zijn de ander schade toe te brengen. Zo kan dat nog een tijd doorgaan.

Soms is een dergelijke wijze van vereffening niet mogelijk en blijft degene die leed of  onrecht is berokkend, met een probleem zitt­en dat niet kan worden opgelost. We zien dat bij­voor­beeld bij emotionele verwaarlozing in de jeugd of bij oorlogsmisdaden. De impuls tot het willen straffen of vergelden is er dan, maar kan niet worden uitgeleefd. Het gevolg is – als er tenminste niet verdrongen wordt – een haat ten opzicht van de agressor die obsessionele pro­porties kan aannemen. Mensen die met dit soort problemen kampen, komen vroeg of laat ech­ter tot het besef dat de enige weg om dit lijden te verminderen, het vergeven is.

Vergiffenis door de werking van de Christusgeest
Vergiffenis is mogelijk omdat sinds Golgotha de Christusgeest in de zielen en in de harten van de mensen leeft. Daardoor is het mogelijk vanuit bewustzijn en begrip met de din­gen om te gaan. Het leed dat werd aangedaan kan dan worden uitgesproken, de wandaden van de andere mens begrepen, en er kan worden afgezien van straf of wraak.
We zien hier twee totaal verschillende benaderingswijzen die bij twee verschillende soorten werelden horen. De eerste wereld is de oude. Zij bestond ten tijde van het Oude Tes­ta­ment, maar werkt ook in onze tijd nog volop in ons door. Het hier heersende principe is de wet van oog om oog, tand om tand.  Er is kwaad gedaan, of de wet is overtreden, en dat moet worden gestraft.

We vinden dat terug in onze primaire reacties op een negatieve daad, in de eisen die wij aan het gedrag van andere mensen stellen en ook in de wettelijke eisen van fun­damentalistische groeperingen, ongeacht of deze nu christelijk, joods of islamitisch zijn. Als niet aan de eisen of aan de geboden van de wet wordt voldaan, moet er worden gestraft; op aarde zowel als in het leven na de dood. Alleen zo wordt het evenwicht hersteld.
De andere wereld is de nieuwe. Daarin kan de mens dankzij de in hem werkende Chris­tusgeest niet alleen vergeven, maar zelfs begrip en mededogen, dus liefde opbrengen voor degene die het leed of het onrecht heeft veroorzaakt. Het is aan ieder mens persoonlijk, te kiezen vanuit welke wereld hij wil denken en handelen.

Het voorbeeld van Bill Cody
Een indrukwekkend voorbeeld van de innerlijke houding die met de nieuwe wereld samenhangt, geeft George Ritchie in zijn boek Terugkeer uit de dood. In dit boek beschrijft hij hoe hij in een concentratiekamp vlak na de oorlog een man ontmoet die uit het getto van Warschau komt en die hij Bill Cody noemt. Wat hem aan deze man opvalt is dat deze in te­gen­stelling tot de anderen uit het kamp een rechtopgaande houding heeft, dat hij helder uit zijn ogen kijkt en met een onvermoeibare energie zestien uur per dag voor anderen in de weer is. Hij krijgt daardoor het vermoeden dat deze Bill Cody niet zo lang in gevangenschap heeft gezeten als de anderen. Zijn verbazing is dan ook groot als hij hoort dat Bill Cody zes jaar in het concentratiekamp doorbracht en op hetzelfde  hongerdieet leefde en in dezelfde door ziek­ten geteisterde barakken sliep als alle andere gevangenen.
Dit alles had bij hem echter geen en­kel spoor van lichamelijke of geestelijke achteruitgang achtergelaten. Bij de ex-gevangenen die vol haat jegens de Duitsers waren, drong hij er onvermoeibaar op aan, hun vijanden ver­gif­fenis te schenken. Iets wat hij zelf ook had gedaan.
In een gesprek dat Ritchie met hem heeft, vertelt Cody hoe zes jaar eerder zijn hele ge­zin, zijn vrouw en zijn vijf kinderen, voor zijn ogen werd doodgeschoten. Hij zegt dan: ‘Op dat moment moest ik voor mijzelf beslissen of ik de soldaten die hiervoor verantwoordelijk wa­ren, moest haten of niet. In feite was het geen moeilijke beslissing.

Ik was jurist; in mijn praktijk had ik maar al te vaak gezien wat haat kan uitrichten met het lichaam en de geest van mensen. Haat had zojuist zes mensen die voor mij belangrijker waren dan wat ook ter wereld, het leven gekost. Daarom besloot ik op dat moment, dat ik de rest van mijn leven – onver­schil­lig of dat enkele dagen of vele jaren zou duren – iedereen zou liefhebben met wie ik ooit in aanraking zou komen’.
Op dat moment begrijpt Ritchie waarom deze man al de ontberingen zo goed had door­staan en zoveel energie bezat. Hij leefde op grond van zijn eigen besluit, uit de kracht die hem in staat stelde vanuit begrip andere mensen lief te hebben, wat ze ook gedaan mochten hebben.

Vergeving schenken

Eenieder die ooit voor de opgave stond een ander te vergeven, weet dat dit niet iets is wat zich vanzelf voltrekt. Werkelijk vergeven is een proces dat tijd neemt en aan een aantal belangrijke voorwaarden moet voldoen, wil het het juiste resultaat opleveren.

De eerste voorwaarde is dat de persoon die wil vergeven, naar binnen keert in het ei­gen hart en daar weer de pijn beleeft die door het leed of onrecht is veroorzaakt. Het hart is de plaats waar de Christusgeest leeft. Daarom kan werkelijke vergeving alleen van die plaats uit­gaan.
De tweede voorwaarde is dat degene die wil vergeven, zich in de dader en diens leven of situatie inleeft, en begrijpt op welke wijze het negatieve of het slechte gedrag uit de nog onverloste, onvrije delen van de ziel is voortgekomen.
En tenslotte moet hij of zij het besluit nemen en de wil opbrengen om de eigen boos­heid, de gekwetstheid én de behoefte de ander te straffen, op te geven. Dat wil zeggen, zo los te laten dat hij of zij de ander diens tekortkomingen, onrechtvaardigheden of misdragingen niet langer nadraagt of kwalijk neemt.
Vooral deze laatste voorwaarde is moeilijk op te brengen en kost veel zelfoverwin­ning. Want met de boosheid en de wraakgevoelens is ook een bepaalde beleving van zichzelf en van lust verbonden. Dat op te moeten geven kan het gevoel veroorzaken iets van zichzelf te moeten afstaan. Wat hierbij kan helpen is het besef dat de ander haar of zijn daden ooit in vol­le omvang voor zich zal zien en zich ten opzichte van zijn hogere geestelijke mens zal moeten verantwoorden.

Verschil tussen de oude wereld en de nieuwe wereld.
De vraag die nu kan opkomen is: bestaat er in termen van karma en vereffening ver­schil tus­sen de oude wereld, waarin kwaad met kwaad wordt vergolden, en de nieuwe wereld, waarin vanuit inzicht en begrip wordt vergeven? Dat verschil bestaat inderdaad. Want wat ge­beurt er karmisch gezien in de oude situatie? Daar houden de mensen elkaar niet alleen in een patroon van wederzijds negatieve daden gevangen, maar al die daden moeten noodzakelijker­wijs ook weer worden goedgemaakt. Dat betekent dat zij in het volgende leven en soms ook nog in het leven daarna op de een of andere wijze moeten worden vereffend. Wat we dus zien is dat men­sen elkaar op deze manier tot in volgende levens toe onvrij maken. Dat geldt voor het gros van de handelingen, gevoelens en gedachten die wij mensen in relatie met anderen heb­ben.
Vrijheid treedt pas op als er sprake is van inzicht en als er vanuit dat inzicht op een juiste wijze wordt gehandeld. Dat gebeurt in de nieuwe situatie. Daar schept de mens die ver­geeft door de overwinning op zichzelf, het begrip voor de ander en het afzien van wraak, vrij­heid. Vrijheid voor zichzelf en vrijheid voor de ander. Want met de daad van het vergeven wordt ook de schuld opgeheven die als gevolg van het gebeuren tussen dader en slachtoffer is ontstaan. We kunnen daarom zeggen: de verkeerde daad wordt door de goede daad – het ver­ge­ven – vereffend. En dat gebeurt al tijdens het huidige aardeleven.
Die daad is goed omdat hij door de weg van de innerlijke activiteit, dat wil zeggen door de bewuste worsteling met zich­zelf, voortkomt uit de innerlijke geest.
Door deze uit de geest voortkomende bewuste daad wordt de keten van oorzaak en gevolg, zoals deze in de oude wereld gangbaar is, door­broken. Er hoeft in het volgend leven dan niet te worden vereffend, omdat er al in dit leven is goed­ge­maakt. Niet door de dader zelf, maar door de offerdaad van zijn slachtoffer. Het slacht­offer is het, die voor hem de relatie met de goddelijke orde herstelt.
We zien hier dus weer hoe een handeling die in relatie met de Christusgeest wordt ver­richt, ertoe leidt dat mensen elkaar met hun karma helpen.

Consequenties voor het leven na de dood

Wat gebeurt er in dit geval nu in het leven na de dood? Als de dader in het leven na de dood terugblikt op het afgelopen leven, beleeft hij of zij niet alleen wat de ander is aangedaan, maar wordt hij of zij zich daar ook bewust hoe door de vergevende daad van het slachtoffer zijn of haar schuld werd ingelost, zodat er niet vereffend hoeft te worden. De dader beleeft dat als een stroom van liefde die naar haar of hem toekomt. Die liefde schenkt haar of hem de kracht en de wil in het volgend leven een beter mens te worden.
Door de vergeving wordt, zoals het voorgaande laat zien, niet alleen de dader bevrijd, maar ook de relatie die zij door dit gebeuren met elkaar hebben gekregen. Doordat er geen ver­effening nodig is, rust op deze relatie ook geen noodzakelijkheid meer en dat betekent ook dat deze tot in volgende levens vrij geworden is. De daad van het vergeven is dus een ge­schenk met zeer verreikende gevolgen. Niet alleen voor de dader en voor de relatie tussen de dader en het slachtoffer, maar ook voor de goddelijke wereld.

Vrijkomende genade
Want wat is het geval? Als wij de andere mens werkelijk vergeven, hoeven de goddelijke machten die de menselijke ontwik­keling leiden, de krachten die zij anders voor de vereffening hadden moeten gebruiken, niet in te zetten. Daardoor komen deze vrij! Wat de goddelijke wezens nu doen, is dat zij deze vrije krachten als genadekrachten naar de mensen en de aarde laten stromen, waar zij alles en ie­der­een ten goede komen.
Dat zijn de weidse perspectieven die zich openen als wij ons verdiepen in het vraag­stuk van de relatie tussen karma en reïncarnatie en de werkzaamheid van Christus, en als wij dat met het licht dat hij in onze zielen heeft ontstoken, trachten te begrijpen.

Naar het begin van dit artikel