headerlogo2

Regelmatig maak ik sla klaar bij het avondeten. Vóórdat ik daarmee begin heb ik altijd de neiging de krop sla – vaak ijsbergsla – in mijn handen te nemen en te bewonderen. Iedere keer verbaas ik mij er weer over hoe hij gevormd is. Laag voor laag zijn de bladeren zó over elkaar heen gelegd dat zij samen een bol vormen. Prachtig om te zien. Ook ieder blad op zich is weer een wonder van kunstigheid en kunstzinnigheid: doeltreffend en mooi, zo gevormd dat de sappen door de kleine bladadertjes kunnen stromen en het grotere geheel kunnen voeden en laten groeien.


Eenzelfde gevoel van verwonderende verbazing kun je hebben als je in het bos bij een grote mierenhoop staat. Nesten van bosmieren kunnen meer dan een meter hoog worden. Een geweldige prestatie voor zulke kleine insecten!
Ook van binnen ziet een mierenhoop er indrukwekkend uit. Mieren horen tot de groep van kolonie -vormende sociale insecten. Elke mierenkolonie bestaat uit één (of enkele) koningin(nen), werksters (allemaal vrouwtjes) en mannetjes. De werksters zijn de grootste groep. Zij zijn de slimsten en verdelen samen de werktaken. Onder hen vind je verkenners, voedselverzamelaars, nestonderhouders, kinderverzorgsters en soldaten om maar een paar functies te noemen. Het nest bestaat van binnen uit aarde waarin verschillende kamers voor het broedsel zijn gemaakt. Er zijn verschillende lagen. Afhankelijk van de weersomstandigheden verplaatsen de werksters het broedsel naar de bovengrondse of naar de ondergrondse kamers. Soms worden het zelfs even naar buiten gebracht om te laten drogen. Daarna wordt het weer naar binnen gehaald. 
De krioelende menigte die je bij een mierenhoop ziet lijkt een chaotische toestand. In werkelijkheid vormt het echter een geheel van precies op elkaar afgestemde activiteiten waarin iedere mier ‘weet’ wat zij of hij te doen heeft. Alles binnen een mierenhoop is geordend en heeft een bepaalde functie.

Een dergelijke functionele doeltreffendheid komen we ook tegen in het menselijk lichaam.
De botten van onze benen bijvoorbeeld, bestaan uit een grote hoeveelheid over elkaar gelegde balkjes. Die balkjes zijn zó geordend dat de op zich dunne botten een uitermate stevige constructie vormen die zelfs een lichaam van meer dan 150 kilo kunnen dragen. En dat niet alleen, ze kunnen ook groeien en na beschadiging zelfs herstellen. Is een been gebroken, dan worden beide delen tegen elkaar gedrukt en vastgezet. Vervolgens groeien ze weer aan elkaar vast tot een stevig geheel.
Heel het menselijk lichaam is één groot vernuftig bouw- en kunstwerk.
Als we elk orgaan van het menselijk lichaam apart bekijken en ons daar inlevend in zouden verdiepen, zouden we diep onder de indruk raken van de wijze waarop ze werken en de wijsheid die daarin zichtbaar wordt. De verschillende organen van het menselijk lichaam werken ieder op zich, maar tegelijkertijd ook met elkaar samen. Kijk maar naar het proces van de spijsvertering. Voedsel dat we eten, wordt met behulp van verschillende organen – mond, maag, lever, gal, darmen, verteerd en omgezet in energie die het lichaam voedt. Daardoor blijft ons lichaam leven en herstelt het zich.

Gewoonlijk staan we bij al die wonderen niet zo stil. We vinden het ‘gewoon’ en zien het bijzondere er niet direct van in. Pas als je de tijd neemt je in een plant, een dier, of een opgroeiend kind te verdiepen en je gevoel mee laat spreken, zie je hoe bijzonder datgene is waar je naar kijkt.

Wat je dan ‘ziet’ is ‘iets wat je niet ziet’, namelijk de geestelijke wereld. Want in de  pluisjes van een uitgebloeide paardenbloem, in de wijze waarop een vogelpaar zijn jongen opvoedt, of een mens ineens een moeilijk probleem begrijpt, zie je de werking van de geest. We kunnen ook zeggen: de actieve werkzaamheid van geestelijke wezens. Zowel van degenen die alles hebben voorgebracht, die de schepping onderhouden en laten groeien, alsook de werking van je eigen geestelijke wezen, je hogere Zelf.

Deze werkingen ‘zie’ je als je in de natuur en in mensen schoonheid, ordening, doelgerichtheid, liefde, denkkracht en wijsheid waarneemt. Het zijn alle kwaliteiten die eigen zijn aan en kenmerkend zijn voor de werking van de geestelijke wereld.

 

Ook Charles Darwin, de geleerde die de evolutietheorie ontwierp, vertelt hoe hij geraakt werd door wat hij tijdens zijn onderzoeken zag. Als hij bijvoorbeeld naar orchideeën keek en wormen onderzocht, werd hij – zo zei hij zelf – vaak met overweldigende kracht overvallen door het gevoel hier te maken te hebben met een ‘expression of Mind’, een ‘uitdrukking van Geest’.[1].

Je zou kunnen zeggen dat hij dan ín die orchidee en ín die worm een werking, een principe van een geheel andere, hogere orde, waarnam. Hetzelfde gebeurde toen hij het menselijk oog intensief bestudeerde. In een brief aan Asa Gray in l860 schrijft hij : ‘Het oog bezorgt me momenteel een koude rilling, maar als ik denk aan de fijne gradaties die bekend zijn, dan zegt mijn rede mij dat ik de koude rilling zou moeten overwinnen’.[2].


Zijn woorden laten zien dat Darwin vanuit zijn inlevend vermogen iets zag dat hem zozeer raakte dat het hem een koude rilling gaf. Dat gevoel of die beleving overwint hij vervolgens met zijn ‘rede’, zijn analytische verstand. Daarmee drukt hij de beleving van het mysterieuze weg en schept zich zo de ruimte om vanuit zijn intellect de evolutietheorie te ontwikkelen.

Hoe meer Darwin – die oorspronkelijk een gelovig man was – zijn evolutietheorie  uitwerkte, hoe minder hij in de schepping de hand van God of de werking van een hogere geestelijke macht ging zien. Uiteindelijk zwoor hij het bestaan van God geheel en al af.


Dit jaar is het 150 jaar geleden dat Charles Darwin werd geboren. De invloed van zijn evolutietheorie in het gangbare denken over de mens is ook in onze tijd heel groot. Het mens- en wereldbeeld dat Darwin uitdraagt is zuiver en alleen materialistisch. Het spirituele element speelt er geen enkele rol. Desondanks zijn veel wetenschappers van mening dat de evolutietheorie van Darwin het antwoord geeft op alle vragen van het bestaan. Ook die over het bestaan van God, religieuze gevoelens, wijsheid en onzelfzuchtige daden.

Deze claim schept veel verwarring. Want wie heeft er gelijk? De wetenschap die het denkt te weten of de oude religieuze tradities? Het is alleen daarom al belangrijk te weten wat de evolutietheorie inhoudt.


Darwins theorie over de ontwikkeling van de wereld en de mens maakt deel uit van wat ook wel de naturalistische visie wordt genoemd. Deze naturalistische visie gaat ervan uit dat ruimte, tijd en materie zo’n 14 miljard jaar geleden zo maar, spontaan, ontstonden tijdens een gebeuren dat de ‘Big Bang’of ‘de Oerknal’ is gaan heten. Die uiteenspatting leidde er toe, zo zeggen haar aanhangers, dat waterstof en helium ontstonden en later ook de sterrenstelsels, sterren en planeten. Daar werden nieuwe elementen gevormd zoals koolstof en zuurstof. Op onze aarde, maar mogelijk ook op vele anderen, traden, ook weer spontaan, niet gepland, willekeurige processen op die tot de vorming van complexe moleculen leidden. Die complexe moleculen waren in staat zich te vermenigvuldigen. Dat leidde tot allerlei variaties. Dat wil zeggen tot vormen waarin niet alle vermenigvuldigde moleculen identiek waren aan hun ouders. Daaruit ontstond geleidelijk aan, via een proces dat ‘natuurlijke selectie’ wordt genoemd, het eerste levende organisme, de eerste cel. En uit die ene cel kwamen vervolgens in een proces van miljarden jaren, meercellige organismen voort en uiteindelijk de grote hoeveelheid soorten planten en dieren die we nu op aarde kennen.

Charles Darwin voegde aan de naturalistische visie drie belangrijke elementen toe: die van de natuurlijke selectie, de strijd om het bestaan, en het feit dat in de natuur nuttige eigenschappen via overerving worden doorgegeven.

Een bepaald mechanisme, door Darwin ook wel de ‘onzichtbare kwekershand’ genoemd, zorgt er volgens hem voor, dat de organismen die zich het beste in de natuur kunnen redden, overleven.

Daarnaast is er, omdat er een tekort aan voedsel is en te weinig ruimte, sprake van een strijd om het bestaan. In die strijd overwint alleen de sterkste. Deze krijgt dan veel en sterke nakomelingen.

Het derde mechanisme, ook weer ‘een onzichtbare hand’ genoemd, zorgt er tenslotte voor dat de nuttige kenmerken die zich ontwikkeld hebben, behouden blijven – bijvoorbeeld het vermogen om in extreem koude gebieden te leven – en dat deze via de erfelijkheid van ouder op kind worden doorgegeven.


Degenen die de evolutietheorie aanhangen benadrukken steeds weer dat al deze processen zich volkomen willekeurig voltrekken. Dat wil zeggen dat er nergens sprake is een bedoeling noch van enige leiding van iets hogers als bijvoorbeeld een schepper of een ontwerper. Heel dat ingewikkelde proces van miljarden jaren, zo vertellen zij, dient nergens toe. Het leven is per toeval ontstaan, heeft geen enkel doel, en er is dus ook geen betekenis en zin.

Geestelijke elementen als het intellect, moraliteit, sociaal en religieus gevoel worden binnen deze theorie beschouwd als mechanismen die er alleen toe dienen om te overleven, zich voort te planten en de soort in stand te houden.


We komen deze materialistische opvatting in de samenleving overal tegen. Je kunt haar ontdekken in de gangbare concepten over gezondheidszorg, opvoeding, onderwijs, ethiek, psychologie, politiek, economie, management en religie, kortom in alle aspecten van het leven.[3].

Zo zei bioloog Ronald Plasterk, tegenwoordig minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, niet zo lang geleden over religie:

‘We mogen ervan uitgaan dat onze eigenschappen het gevolg zijn van natuurlijke selectie.

           Waarom dan niet het geloof in God?’[4]. 

Gaylord Simpson, een Amerikaanse paleontoloog en aanhanger van de evolutieleer schreef:

           ‘De mens is de uitkomst van een doelloos en materialistisch proces dat  hem (= de mens)

            niet in gedachten had. Hij was niet bedoeld.’[5].

Ook hersenonderzoeker Dick Swaab drukt zich kras uit:

‘Wij (mensen) zijn, gezien vanuit het evolutionair proces, weinig anders dan wegwerpartikelen.Je bent dus maar tijdelijk nuttig, namelijk om een stukje DNA door te geven’. [6].

Het is belangrijk te beseffen dat dergelijke conclusies op grond van de huidige wetenschappelijke gegevens absoluut niet op deze wijze te trekken zijn of te bewijzen. Dat betekent dat ze onwaar zijn. Zij zijn in wezen niet meer dan een uiting van het persoonlijke ‘geloof’ van de betreffende wetenschapper en zijn atheïstisch wereldbeeld.  

Vaak hoor je mensen die aan het bestaan van een hogere orde, de geestelijke wereld of God twijfelen zeggen: ja, maar, de wetenschap heeft bewezen dat...

Het enig juiste antwoord daarop is: de wetenschap zoals zij tegenwoordig in materialistische zin wordt beoefend, heeft op het gebied van de geest, de zin van het leven, het bestaan van engelen of van God in het geheel niets zinnigs te zeggen, laat staan iets te bewijzen. Dat kan zij ook niet want zij beperkt zich enkel en alleen tot de wereld van de materie en is daardoor eenzijdig. Die eenzijdigheid komt voort uit het feit dat zij de realiteit van de wereld van de geest niet in haar onderzoek betrekt. Dat kan zij ook niet, want daarvoor mist ze de kennis en de noodzakelijke vermogens. 

Ik wil dit artikel besluiten met u te laten zien dat de discussie of er nu wel of niet een hogere orde in de schepping bestaat die haar heeft gecreëerd, niet iets is dat alleen in onze tijd plaatsvindt. Zij werd zelfs al in het oude Griekenland gevoerd, zo’n 400 jaar vóór Christus. In die tijd stonden wijsgeren als Socrates en Plato tegenover filosofen die alleen het materialisme aanhingen.

Volgens de eerste twee filosofen wijst het feit dat wij in de schepping schoonheid, kracht en werking zien op het bestaan en de werking van een hogere macht. Met andere woorden: in wat je ziet kun je afleiden dat er een maker bestaat.

Socrates zei dat als volgt:

‘Hij die de kosmos coördineert en samenhoudt manifesteert zichzelf in zijn ultieme

 werken en is toch zelf onzichtbaar in de wijze waarop hij hen ordent.

             Om deze redenen past het ons om de onzichtbare dingen niet te minachten, maar is het

             passend dat wij, als wij ons de kracht van deze onzichtbare dingen in hun uitingen bewust

             worden, de godheid vereren’. [7].

Plato drukte het in zijn dialogen zo uit:

            ‘Het is toch eenvoudig om in waarheid te beweren dat de goden bestaan?

             In de eerste plaats bestaat er toch het bewijs dat geleverd wordt door de

             aarde, de zon, de sterren en het hele universum, en de prachtige ordening van

             de seizoenen, die gemarkeerd wordt door jaren en maanden.’[8].

Ze benoemden echter ook dat wat hun tegenstanders zeiden. In een van zijn dialogen laat Plato Socrates zeggen:

 ‘of wij zullen zeggen ... dat alle dingen en dit wat ‘het universum’ wordt genoemd, geregeerd

             worden door een irrationele en toevallige kracht en zuiver toeval... ?  


Degenen die in die tijd van de werking van een irrationele, toevallige kracht in het universum spraken en van zuiver toeval, waren de materialistische atomisten. Zij verklaarden de kosmos vanuit een strikt materiële, mechanistische visie en zagen het universum, de aarde en de mensen  als het resultaat van een toevallige botsing van atomen.


In de eerste eeuwen ná Christus waren het de stoïcijnen en de epicuristen die op eenzelfde wijze tegenover elkaar stonden. De epicuristen sloten zich aan bij de materialistische atomisten. De stoïcijnen waren het grotendeels eens met Plato. Zij beschreven God als een intelligente, vurige geest (pneuma) die innerlijk verbonden is met de kosmos (er immanent mee is) en hem als een alles doordringend logisch principe (logos) doordringt. Door deze God vertoont de kosmos een kosmische ordening (diakosmèsis).

Volgens een antiek geschrift ontleenden de stoïcijnen hun kennis van God in de eerste plaats aan

‘de schoonheid van die dingen die ons zo zichtbaar verschijnen. Want zij concludeerden dat

            niets van een dergelijke schoonheid terloops en toevallig gevormd kan zijn.’[9].

Omdat de goddelijke logos (het goddelijke scheppende Woord) alles doordringt kunnen de mensen zich daar waarnemend en denkend bewust van worden. Zo schrijft Epictetus, een stoïcijnse wijsgeer:

            ‘God heeft de mens in de wereld gebracht om een waarnemer te zijn van Hemzelf en van

             zijn werken, en niet slechts een waarnemer, maar ook een verklaarder van deze dingen.

             Zorg er dan voor dat je niet sterft zonder deze dingen waargenomen te hebben!’[10].

Doordat er een verbinding bestaat tussen de menselijke geest en de goddelijke geest, zo zeggen de stoïcijnse filosofen, is het mogelijk dat wij mensen God, of het goddelijke, met ons voelende denken kunnen ervaren en verklaren. Gebeurt dat dan komt er een innerlijke verandering tot stand. 

Dat was het geval bij C.S. Lewis, literatuurwetenschapper en schrijver van boeken. In zijn autobiografie vertelt hij:

            ‘Ik moest erkennen dat Geest geen laat, secundair verschijnsel is. Dat het hele universum,

             in laatste instantie, geestelijk is. Dat onze logica participatie is in een kosmische

             logos’.[11].

Met andere woorden: ons denken (logica) maakt deel uit van (is participatie in) een kosmische logos (het alomvattende, scheppende, goddelijke Woord). Doordat dat zo is is alles met alles verbonden.


De vraag of de schepping geheel en al toevallig is, dan wel wordt bedoeld en gewild, laten we nog even open. In een volgende bijdrage zal ik vertellen hoe in de opvattingen van de esoterische traditie het concept van God als de schepper van hemel en aarde en de evolutieleer van Darwin elkaar vinden.


Naar het begin van dit artikel


Bronnen:

1.  Darwin F.Life and Letters of Charles Darwin,dl II, New York. terug

2.  Zie 1. terug

3.  Cees Dekker, Ronald Meester en René van Woudenberg, En God beschikte een worm. Over schepping en evolutie, 2006 Uitg. Ten Have, Kampen. terug

4.  R. Plasterk, Juist onder religieuzen heerst een gebrek aan ethiek’. InLeven zonder God2003. terug

5.  Gayord G. Simpson,The Meaning of Evolution (Yale University Press, New Haven, l950). terug

6.  D. Swaab, Evolutionair gezien zijn we weinig meer dan wegwerpartikelen’. In Leven zonder God ,2003. terug

7.  Xenophon, Herinneringen aan Socrates 4.313-14. Socrates leefde van 470 – 399 vóór Christus. terug

8.  Plato,Wetten 886A.  Plato leefde van 427 – 347 vóór Christus. terug

9.  Aëtius, Placita 1.6. terug

10.Epictetus, De colleges naar de aantekeningen van Flavius Arrianus 1.6. Epictetus leefde van ca 60 – 130 na Christus. terug

11.C.S. Lewis,Surprised by Joy: The Shape of My Early Life,Harper Collins, Londen l998. terug