headerlogo2

 

Wie is de mens? Hoe zijn wij mensen ontstaan? Waarom zijn wij eigenlijk op aarde?

Een van de eerste dingen die we moeten beseffen als we spreken over de esoterische opvattingen betreffende de menselijke ontwikkeling is dat deze wijsheid al in de oudheid bestond – ver vóór de oud-Egyptische tijd - en in mysteriescholen onderwezen werd.

Leerlingen die daar aan toe waren werden tijdens inwijdingen helderziend schouwend in de geheimen van het menselijke bestaan gevoerd. In grootse beelden zagen zij voor zich hoe de evolutie van mens en aarde zich vanuit het oerverre verleden voltrok en in de toekomst verder zal gaan. De kennis die zij opdeden was tegelijkertijd beleving en innerlijke weten.

Een dergelijk schouwen was mogelijk omdat zij tijdens die inwijdingen toegang kregen tot de zogenoemde Akashakroniek. De Akashakroniek is een soort kosmisch geheugen in de hoge gebieden van de geestelijke wereld waarin alles wordt bewaard wat er op aarde, in de menselijke ontwikkeling en in de kosmos gebeurt en ooit gebeurd is. Geestelijk hoog ontwikkelde mensen en ingewijden putten voor hun kennis en inzichten uit die bron. Mensen als bijvoorbeeld Mevrouw Blavatsky, Jacob Lorber, Rudolf Steiner en anderen, hadden toegang tot dat kosmische geheugen. Zij zagen het als hun taak die esoterische kennis en inzichten in onze tijd opnieuw onder woorden te brengen. Ieder van hen deed dat op haar of zijn eigen wijze en vanuit de eigen invalshoek.
Wat hier verteld wordt is dus niet iets nieuws, maar maakt deel uit van geheime, esoterische kennis die alle oude religies en volken bezaten.

Laat ons mensen maken naar ons beeld en gelijkenis
In tegenstelling tot de evolutietheorie zoals die in de moderne wetenschap wordt verwoord ziet de esoterische opvatting alles wat er op aarde bestaat niet als het resultaat van een proces dat toevallig – je zou kunnen zeggen ‘per ongeluk’ of als gevolg van een ‘big bang’ - is ontstaan. Maar als een bewust gewilde ontwikkeling van mens en aarde waaraan een goddelijk plan ten grondslag ligt. Ooit ontstond – zo de esoterische traditie -  bij de allerhoogste God, de Schepper, het idee of de gedachte, mensen te scheppen zoals in het boek Genesis in de Bijbel wordt verwoord: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld en gelijkenis, kennende goed en kwaad’. Besloten werd geestelijke wezens die op dat moment nog in volmaakte eenheid en harmonie deel uitmaakten van de wereld van God, een weg in heel andere werelden te laten gaan waardoor ze een ingrijpende ontwikkeling zouden kunnen doormaken. Een ontwikkeling waarin zij hun diepste, goddelijke wezen, op een heel nieuwe wijze in zich tot uitdrukking zouden kunnen brengen. Om dat nieuwe te realiseren was de uiteenzetting nodig met de principes van goed en kwaad.

Die mogelijkheid bestond niet in de hemelwereld, maar wel op aarde in de wereld van de materie.
In de Bijbel, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament, maar ook in andere oude heilige boeken, wordt verslag gedaan hoe die ontwikkelingsweg van de mens zich vanuit de oertijd voltrok en in onze tijd nog steeds verder gaat.


Miljoenen jaren durende ontwikkeling
De esoterische traditie vertelt – in tegenstelling tot die creationisten die er van uitgaan de God de aarde en de mens in zes dagen tijd of in een paar duizend jaar geschapen heeft – dat die schepping onvoorstelbaar lange tijden, aeonen en aeonen lang duurde en door vele transformaties, vormveranderingen van mens en aarde, heenging. In dat scheppingsproces wordt, om een voorbeeld te noemen, de eerste grondslag van het menselijk lichaam en de aarde gelegd in een sfeer die uitsluitend uit warmte bestaat. Een volgende fase bestond uit licht en lucht, de fase daarop uit waterachtige substantie, en uiteindelijk, na lange, vele miljoenen jaren durende periodes, uit de fysiek-minerale, materiële stoffelijkheid die wij tegenwoordig kennen.
Het laat zien dat de lichamelijke ontwikkeling van de mens een proces is dat in een puur geestelijke toestand van warmte en licht begon en zich steeds meer verdichtte en verhardde tot de huidige vormen die het hedendaags heeft in de wereld van de materie.

Dat hele proces van het ontstaan van mens en aarde – van de evolutie – kunnen we alleen goed begrijpen en zijn juiste plaats geven als we onderscheid maken tussen de lichamelijke ontwikkeling van ons mensen enerzijds en de ontwikkeling in ons van het ik en de geest anderzijds. Dat is belangrijk omdat beiden aanvankelijk lange tijd gescheiden wegen gaan.
Als eerste werd op aarde, in onvoorstelbaar langdurende periodes, de menselijke lichamelijkheid tot ontplooiing gebracht. Zoals bekend bestaat de menselijke lichamelijkheid uit een fysiek, materieellichaam, waarmee we op aarde kunnen leven, een ether- of levenslichaam dat ons ‘leven’ schenkt en een astraal- of zielenlichaam waardoor we een innerlijke wereld, een ziel kunnen ontwikkelen.
Pas toen die lichamen in het oer ver verleden een bepaalde graad van ontwikkeling hadden bereikt konden het ik en de geest – dat wil zeggen de mens als geestelijk wezen - zich daarmee verbinden. Van dat moment af wordt die lichamelijkheid de aardse behuizing van de menselijke geest. Je kunt zeggen: pas toen die twee samenkwamen: de lichamelijke ontwikkeling enerzijds en het ik en de geest anderzijds, verschijnt de mens en begint zijn ontwikkeling op aarde pas werkelijk.

Het scheppende werk van de Goddelijke Hiërarchieën
Een ander belangrijk inzicht dat de esoterische inzichten bieden is dat die lichamelijke ontwikkeling gecreëerd en mogelijk gemaakt werd – en ook nu nog wordt - door onvoorstelbaar hoge, verheven wezens uit de rijen van de Goddelijke Hiërarchieën. Zij werken in dienst van de Godheid of de Schepper aan de mens en zijn als het ware de uitvoerders van de Goddelijke wil. Aanvankelijk richtten zij zich vooral op het gebied van de lichamelijkheid, later ook op dat van de ziel en de geest. Al die verheven wezens werkten zó dat ze delen van hun eigen goddelijke substantie afstonden en aan de wordende mens schonken. Ze gaven iets van zichzelf op waar ze niets voor terugkregen. Deze goddelijke substantie lieten zij in de wordende lichamelijkheid instromen. Van daaruit schiepen zij voortdurend nieuwe substanties en vormen waardoor de menselijke lichamelijkheid zich verder ontwikkelde. Ik zal daar een paar voorbeelden van geven.

Hoog verheven wezens die ook wel ‘Stralend Leven’ of Stralende Vlammen’ worden genoemd – in de christelijk esoterische traditie: ‘Tronen’ of ‘Geesten van de Wil’ geheten – stroomden aan het begin van de schepping stof van zichzelf in de kosmos uit en creëerden daarmee de eerste aanleg van het latere fysieke lichaam van de mens.
‘Geesten van de Wijsheid’ ook ‘Heerschappijen’ of  ‘Kyriotetes’ genoemd, werkten daar vervolgens op zo’n wijze aan dat het wordende fysieke lichaam een weldoordachte bouw kreeg ingeprent.
‘Geesten van de Beweging’ ook ‘Machten’ of  ‘Dynamisch’ genoemd, schonken het fysieke lichaam de mogelijkheid tot beweging en werkzaamheid.‘Geesten van de Vorm’, ook ‘Krachten’,  ‘Exusiai’ of ‘Elohim’ genoemd, brachten aan de beweeglijke wolk die het menselijk lichaam in dat oerverleden nog was, zijn begrensde vorm. We mogen ook zeggen: zijn goddelijke gestalte.

De mens werd immers in opdracht van God naar diens beeld en gelijkenis geschapen. Tenslotte werd door de activiteiten van de ‘Geesten van de Persoonlijkheid’ ook wel ‘Oerkrachten’ of ‘Archai’ genoemd, een soort zintuigen aangelegd die de kiem vormden voor de zintuigen die zich in een veel later stadium ontwikkelden. Tegelijkertijd plantten zij de wordende mens de aanleg in voor het eigen ‘ik’.  Doordat wij mensen dat ‘ik’ ontvingen konden we een in een veel later stadium een in zichzelf gesloten wezen, een eigen persoonlijkheid, worden.
Heel die scheppende activiteit werd en wordt doorstraald door de substantie van de Serafijnen, een van de allerhoogste goddelijke wezens in dienst van de Schepper. Zij schenken en stromen alomvattende goddelijke liefde uit.
De esoterische traditie laat dus zien dat heel de schepping: de mens en zijn lichamelijkheid, maar ook de planten, dieren en gesteentes, uit goddelijke substantie of uit God, zijn voortgekomen. Vandaar dat de Rozenkruisers - die dit geheim of deze waarheid kennen – zeggen: ‘Ex Deo Nascimur’: Uit God zijn wij geboren. 

Lemurië
Laten nu voor een wat gedetailleerder beeld eens teruggaan naar een heel bijzondere periode in dat oerverre verleden van de mens, de periode die in de esoterische traditie ‘Lemurië’ wordt genoemd. In die tijd gebeurden er heel ingrijpende en bijzondere dingen.
Rudolf Steiner situeert die toestand van de aarde op langer dan 65 miljoen jaar geleden. Wat zouden we zien als we vanaf nu terug zouden kunnen kijken in die periode?
 
De aarde is in die tijd heftig in beroering en beweging. Het heeft dan nog lang niet haar latere vastheid en hardheid. Overal zijn borrelende vulkanische activiteiten en wordt de dunne bodem opengescheurd door kleinere of grotere stromen vuur en waterachtige stof en damp. Mineralen, gesteentes, hebben nog overwegend een vloeibare vorm. Pas later in die periode ontstaan in de vloeibare massa’s stukken wat later vaste landmassa’s zullen worden. De lucht is nog veel dichter dan tegenwoordig.
 
Behalve planten die toen nog een waterachtige vorm bezitten, zien we lagere dieren die niet verder komen dan het niveau van amfibieën (salamanders en kikkers) en reptielen (slangen) en vogels. Het is de tijd waarin de dinosaurussen op aarde leven. Daarnaast zijn er lagere zoogdieren te vinden. Ook deze hebben dan nog een heel andere substantie en vorm dan later. De hogere zoogdieren bestaan dan nog niet.
Onder de dieren bevinden zich ook de wordende mensen. Rudolf Steiner vertelt dat het grootste deel van hen toen nog op zo’n lage trap van ontwikkeling stond dat wij hen beslist dierlijk moeten noemen. In wezen was er geen specifiek onderscheid te zien tussen hen en de lagere zoogdieren die in zeker opzicht ook in gestalte op hen leken. Toch zijn de wordende mensen ook toen al niet met de dieren gelijk te stellen. Hoe komt dat?


Op de lange evolutieweg die loopt van het moment dat de ‘Stralende Vlammen’ of ‘Tronen’ aan het begin van de schepping de geestelijke grondslag leggen voor het fysieke lichaam tot aan ons huidige punt van ontwikkeling, maken we als mensen in onze lichamelijke ontwikkeling een heel aantal fasen door. Eén van die fasen is een ‘plantachtig’ toestand. Deze wordt gevolgd door een ‘dierlijke’ fase. Pas daarna ontstaat de ‘menselijke’ fase.
In de dierlijke fase – die op zich ook weer vele miljoenen jaren in beslag neemt - wordt eveneens een weg afgelegd. Op die weg maakt het wordende lichaam van de mens ‘dierlijke’ fasen door: die van eencelligen, van de ongewervelde dieren, vissen, reptielen, lagere zoogdieren, enzovoort, tot en met de hogere zoogdieren, waaronder de apen.
Voor wie dat te fantastisch klinkt om waar te zijn: sporen van deze weg zijn nog terug te vinden in de stadia en vormen die een embryo doormaakt in het lichaam van de moeder.


Volgens de esoterische traditie gebeurt er echter nog meer dat bijzonder is: op die weg zet de wordende mens – geheel en al geleid door de hoge scheppende Hiërarchieën in dienst van God – de dierlijke krachten die in die fase in hem leven, en ook wel ‘astrale’ krachten worden genoemd, buiten zich. Daardoor kan zijn weg verder gaan. Was dat niet het geval dan zou de mens op een dierlijk niveau zijn blijven steken.

Een van de doelen van de evolutie is echter een lichamelijkheid te ontwikkelen waarin een geestelijk wezen, de werkelijke mens, op aarde kan leven en zijn diepste wezen tot ontplooiing kan brengen. Dat vraagt om een bepaalde, geschikte lichamelijkheid. Die lichamelijkheid kan zich alleen vormen als het teveel van het astrale, dierlijke, wordt uitgestoten. En dat is wat er in de loop van de evolutie gebeurt. De hoge geestelijke wezens die aan de mens werken, zetten stap voor stap de dierlijke, astrale krachten naar buiten zodat de lichamelijkheid van de mens op een bepaalde wijze gezuiverd wordt.

En wat gebeurt er met die uitgezette dierlijke, astrale krachten? Daaruit ontstaan een voor een verschillende dieren en diersoorten. Met andere woorden, uit die astrale krachten vormen de goddelijke scheppende wezens in opdracht van God het dierenrijk. Een rijk dat weliswaar buiten de mens komt te staan en verder zijn eigen weg gaat, maar er desalniettemin innig mee verwant blijft, net als het plantenrijk.

De mensen kwamen niet uit de dieren voort, maar de dieren uit de mensen
Het voorgaande laat zien dat volgens de esoterische wijsheid de mensen niet uit de dieren zijn ontstaan, maar de dieren uit de wordende mensen. En dat is héél wat anders! In de gangbare materialistische opvatting is de mens (niet meer dan) een dier. U zou er eens op moeten letten hoe vaak wetenschappers daar steeds weer op wijzen. Het is alsof zij het belangrijk vinden dat de mensen steeds weer in te prenten. Die mensen moeten toch vooral niet geloven dat ze meer dan dieren zijn.
De esoterische traditie vraagt – dat is duidelijk – echter om een heel andere manier van kijken. Zonder grote geestelijke perspectieven en samenhangen kom je er niet.

Maar, hoe zit het nu met de apen en de mensen?

Op een gegeven ogenblik trad in de menselijke evolutie de situatie op dat de lichamelijkheid een zodanig punt zou bereiken dat het de menselijke geest in zich kon opnemen. Dat was in een tijd waarin de omstandigheden in Lemurië ingrijpend veranderd waren. De lichamelijkheid had zich zo ver ontwikkeld dat de hogere zoogdieren verschenen waren en er enigszins diermensachtige vormen waren ontstaan, vergelijkbaar met onze tegenwoordige apen. Uit die lichamen kozen de scheppende geestelijke wezens uit de rijen van de Elohim diegenen uit die geschikt waren voor verdere ontwikkeling en werkten de lichamen zo om dat deze in staat waren de menselijke geest in zich op te nemen.

Genesis: de schepping van de mens
En zo gebeurde het dan dat na die lange, lange voorbereiding het ogenblik aanbrak dat hoge geestelijke wezens: Geesten van de Vorm en Geesten van de Persoonlijkheid substantie van zichzelf offerden en in die lichamelijkheid de aanleg van het het Ik indruppelde. Daardoor krijgt de menselijke geest toegang tot die lichamelijkheid en verbindt zich daarmee. In het boek Genesis in de Bijbel wordt daarover gezegd: ‘toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus. Alzo werd de mens tot een levend wezen’.


Vóór dat gebeuren behoorde de menselijke geest tot andere sferen. Hij leefde toen nog in de harmonie en nabijheid van de Schepper of God. De esoterische wijsheid beschrijft op ontroerende wijze hoe met iedere stap die in de lichamelijke evolutie op aarde naar boven werd gezet, aan de andere zijde de menselijke geest, het geestelijke zelf van de mens, in de armen van de Schepper stap voor stap naar beneden werd gedragen. Tot het moment daar was waarop de adem Gods, in de wordende mens geest en lichamelijkheid met elkaar verbonden
Daarmee werd een geweldige stap gezet in de menselijke evolutie. Want toen begon de weg die de méns op aarde gaat. Ook daar zou weer heel veel over te vertellen zijn. Maar dat voert nu te ver.


En de apen? Hun tragiek is dat hun lichamelijkheid niet geschikt was om een ik en een geest in zich op te nemen. Daardoor gingen ze op den duur achteruit, dus van een hogere naar een lagere trap van ontwikkeling. Zoals wij mensen eens onvolmaakter waren dan we nu zijn, zo waren de apen eenmaal volmaakter dan tegenwoordig. In wezen – en dat is waarschijnlijk waarom we zo gefascineerd door ze zijn - zijn de apen in verval geraakte mensen uit een vroeger tijdperk. Net als de andere dieren van wie we de krachten uit ons hebben gezet, zijn zij onze broeders. Helaas gevangen in een vorm waarin ze voorlopig niet verder kunnen. Dat is het offer dat zíj brengen voor de voortgang van ons mensen.
Troostend is dat wij mensen in de verdere toekomst, als in ons de krachten van de geest zijn toegenomen, de taak zullen krijgen de dieren uit hun gevangenis te verlossen. Ook dat laat de esoterische wijsheid ons zien, nu naar de toekomst toe.

Naar het begin van dit artikel

 

Bron: Rudolf Steiner, ‘Uit de Akasha-kroniek. Oertoestanden van aarde en mensheid’, Zeist.