headerlogo2

Uit: Rudolf Steiner Aus den Inhalten der Esoterischen Stunden III, GA 266/3,  blz 346, Hannover, 24 september l907.

 

 

 

Christus is het allerhoogste Zonnewezen.

Zijn geest is het die zich in het zonlicht openbaart.

Zijn levensadem is het die in de lucht de aarde omspoelt

en die met iedere ademteug in ons binnendringt.

Zijn lichaam is de aarde waarop wij wonen.

 

Feitelijk voedt hij ons met zijn vlees en bloed. Want wat wij ook aan

voedsel in ons opnemen, het is uit de aarde, uit zijn lichaam, genomen.

Wij ademen in zijn levenskracht die hij ons door het plantendek van de aarde toestroomt.

Wij schouwen in zijn licht, want het licht van de zon is het stralen van zijn Geest.

Wij leven in zijn liefde, ook fysiek; want wat wij als warmte van de zon

ontvangen is zijn geestelijke liefdeskracht die wij als warmte beleven.

Onze geest wordt door zijn geest aangetrokken, net als ons lichaam

verbonden is met zijn lichaam.

 

 

De aarde is zijn heilig lichaam dat wij met onze voeten betreden.

De zon is de verkondiging van zijn Heilige Geest waarnaar wij mogen opzien.

De lucht is de verkondiging van zijn heilig leven dat wij in ons mogen opnemen.

Opdat wij ons Zelf, onze Geest, bewust zouden worden en daardoor zelf

Geestwezen konden worden, offerde zich deze hoge Zonnegeest, verliet hij

zijn koninklijke woning, steeg hij af en nam een fysiek kleed aan op aarde.

Zo is hij fysiek in de aarde gekruisigd.

Hij echter omspant geestelijk de aarde met zijn licht en zijn liefdekracht en

alles wat daarop leeft is zijn eigendom.

 

Hij heeft ons liefgehad vanaf het oerbegin van de aarde.

Zijn liefde moeten wij in ons wezenlijk laten worden.

Dat alleen betekent werkelijk leven, alleen daar is ware Geest,

ware zaligheid mogelijk.

Niet van onszelf uit kunnen wij zuiver en heilig worden,

alleen van dit Christusleven uit.

Al ons streven en worstelen is tevergeefs zolang ons niet dit hogere Leven vervult.

Dat alleen kan als een zuivere, heldere stroom alles uit ons leven wegspoelen

wat nog ongelouterd is.

 

Hij is de zielegrond waaruit dit zuivere lichtleven op kan stijgen.

Daar moeten wij onze woning zoeken, aan zijn voeten en aan de overgave aan hem.

 

 

Dan zal hij ons zelf omvormen en ons met zijn goddelijk liefdeleven

doorstromen tot wij licht en zuiver worden als hij.

Hem gelijk. Tot hij zijn goddelijk bewustzijn met ons delen kan.

Door zijn licht moet de ziel zuiver, dat wil zeggen wijs worden.

Zo kan zij zich met zijn Leven verenigen.

Dat is de vereniging van Christus en Sophia, de vereniging van het

Christuswezen met de door zijn licht gelouterde mensenziel.